Elke jood bracht flink wat geld op

Ad van Liempt en Jan Kompagnie (red.): Jodenjacht. De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog. Balans. 345 blz. € 19,95

De bruiloft was op 6 Bloeimaand 1943. Tenminste, dat was de datum die de NSB hanteerde. Voor de rest van Nederland was het 6 mei. De Amsterdamse politieagent Frans Harms was op die dag te gast bij de huwelijksvoltrekking van zijn kantoorgenoot Piet.

Harms en zijn makkers hadden een gedichtje geschreven voor hun kameraad en diens bruid, Wiepke. De tweede strofe ging zo: ‘Als hulpagent is hij aangesteld, / en heeft al bij veel joden aangebeld om ze te halen;/Hij liet ze niet thuis, al wilden ze honderden betalen’.

Dit ontluisterend rijm is te vinden in het strafdossier van Harms, onderdeel van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Zes historici hebben dit archief uitgekamd en de resultaten van hun arbeid staan in Jodenjacht. De onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog. Het boek werd geredigeerd door archivaris Jan Kompagnie en journalist en tv-maker Ad van Liempt.

Een aanzienlijk aantal politiemensen werd na de oorlog ontslagen vanwege de soms vergaande collaboratie. Van de 16.500 politiemensen die op 1 februari 1944 in dienst waren, werden er na de oorlog ongeveer 7.000 aan een onderzoek onderworpen. Zo’n 2.000 van hen werden er ontslagen, meldde het door Van Liempt (NPS) geschreven De oorlog. Dat niet elke Nederlandse agent zich tijdens de oorlog met roem overlaadde, was dus al bekend. Maar door het uiterst systematische strafdossier-onderzoek van Van Liempt en de zijnen is er nu een compleet beeld van het leed dat collaborerende politiebeambten bij hun joodse landgenoten hebben aangericht. Dat beeld stemt niet vrolijk.

In de dossiers van ongeveer 230 politiemannen zijn rond de 4.800 namen van joodse slachtoffers aangetroffen. Het merendeel hiervan werd opgepakt tussen juli 1942 en oktober 1943. Net zoals de groep freelance premiejagers onder leiding van Wim Henneicke, over wie Van Liempt eerder het boek Kopgeld schreef, werden de agenten beloond met een geldbedrag voor iedere jood die ze in de kraag vatten. Amsterdammer Piet Schaap meldde trots: ‘Er waren wel dagen dat ik driehonderd gulden (nu zo’n 1.750 euro, red.) extra verdiende door het arresteren van joden.’

Kennelijk was voor veel politieagenten deze premie niet voldoende, want bijna allemaal roofden ze ook spullen weg uit huizen van opgebrachte joden: van beddengoed tot zilverwaren. Verder gebruikten de agenten regelmatig geweld en werden joodse vrouwen soms verkracht. Van Liempt en Kompagnie omschrijven de politieafdelingen die zich met de jodenjacht bezighielden dan ook terecht als ‘criminele organisaties.’

Toch was winstbejag niet de belangrijkste drijfveer, ontdekten de onderzoekers in de strafdossiers van de agenten. Het merendeel van hen was sterk antisemitisch. Maar liefst 96 procent was lid van een of meer nationaal-socialistische organisaties. Terwijl de bezetter de NSB geen enkele officiële rol gaf in de jacht op joden, waren individuele NSB’ers dus juist ‘de ruggengraat van de operatie om de joden van Nederland te elimineren’, aldus van Liempt.

Na de Bevrijding beweerden flink wat agenten dat ze geen idee hadden wat er met de joden gebeurde nadat ze op de trein naar het oosten waren gezet. En een aantal trachtte de rechter er zelfs van te overtuigen dat ze regelmatig joden hadden geholpen door hen te waarschuwen voor een naderende arrestatie.

Dat was nauwelijks geloofwaardig, maar helemaal zonder resultaat bleven de smeekbedes niet. Van de agenten wier dossier voor Jodenjacht is onderzocht, kregen er 34 de doodstraf opgelegd. In slechts elf gevallen werd die ook voltrokken. In de meeste zaken, ongeveer zeventig procent, lag de strafmaat tussen de zes en vijftien jaar. In veel gevallen volgde in de jaren na de oorlog gratie. De dichtende Amsterdamse diender Frans Harms kreeg twaalf jaar.

Uiteraard heulden lang niet alle Nederlandse politieagenten met de nazi’s. Van Liempt beschrijft het heldhaftig gedrag van enkelen van hen. De meeste agenten deden echter wat de meeste Nederlanders deden: ‘ze wilden vooral overleven, probeerden zich aan de narigheid te onttrekken, keken de andere kant op of probeerden op hun eigen manier en binnen hun eigen mogelijkheden andere mensen te helpen en de Duitsers enigszins tegen te werken.’