Een game die denkt en moordt

Ursula Poznanski: Erebos. Vertaald uit het Duits door Esther Ottens. Lemniscaat, 411 blz. €18,95

Bijna was hij gestorven, tenminste, als goden kunnen sterven. Maar de Oostenrijkse schrijfster Ursula Poznanski heeft de Oudgriekse god van de duisternis (zoon van Chaos ) nieuw leven in geblazen. In haar eerste jongerenboek, vanzelfsprekend vernoemd naar deze mythische god, vertelt zij hoe Erebos in de oorspronkelijk gevonden vorm van een ‘role playing game’ zijn (her)intrede doet op een Londense school en daar iedereen – vermomd als dwerg, weerwolf, katmens of donkerelf – zijn virtuele wereld binnendwingt, in zijn greep houdt, onder het motto ‘scheppen, behouden, vernietigen’.

Ook Nick Dunmore, een doodgewone 16-jarige die fanatiek basketbalt en heimelijk verliefd is op klasgenoot Emily, weet een illegale spelkopie te bemachtigen. Wanneer Nick de regels van Erebos heeft onderschreven en zich realiseert dat hij tegenover zijn medespelers moet zwijgen over zijn spelvorderingen en dat het definitief ‘game over’ is als hij opdrachten weigert uit te voeren, blijkt ook hij volledig in de ban van Erebos’ duisternis.

Overtuigend schetst Poznanski hoe een game als Erebos als opium voor jongeren dient. Steeds weer op jacht naar directe behoeftebevrediging en naar een beloning in de vorm van een volgend level, ontkracht zo’n spel de vrije wil en plaatst het jongeren buiten de gewone maatschappij. Bovendien slaagt Poznanski er knap in de alledaagse – en virtuele werkelijkheid met elkaar te verweven door Erebos uit te rusten met een soort kunstmatige intelligentie. De software blijkt te kunnen lezen, onthouden en analyseren en geeft zo – als een nieuwe god – de gamer wat hij maar wenst, zolang hij althans bereid is meer te offeren dan alleen zijn tijd. Onwillekeurig verleggen de spelers hun morele grenzen. Zo wordt Erebos letterlijk een gevaarlijk (moord)wapen ‘dat een eigen leven leidt’.

Poznanski schrijft toegankelijk en pretentieloos, maar haar taal mist de poëzie en beeldspraak om dit fascinerende sciencefiction-achtige verhaal een meerwaarde te geven. Daarnaast voert ze te veel personages en zinloze gevechten op. Het storendst echter is de manier waarop Nick betrekkelijk moeiteloos van een computerfreak in een moraalridder verandert: natuurlijk dankzij Emily, want een jongerenboek kan nu eenmaal niet zonder een portie romantiek.

‘De duisternis zit vol met valkuilen en afgronden’, schrijft Poznanski terecht. Maar waarom heeft ze Nick dan niet over de figuurlijke richel geduwd en diep laten ‘vallen’? Waarom heeft ze hem niet laten balanceren op de rand van een existentiële crisis? Dat had Erebos (boek en godheid) wellicht onsterfelijk kunnen maken. Nu is het slechts de zoveelste vernuftige ‘whodunnit’, waarin je veel kan herkennen, maar waarin weinig te verkennen valt.