Dommelen voor de waarheid

De gedichten van Nobelprijswinnaar Tomas Tranströmer beginnen gewoontjes. Maar al gauw ontstaat er een kier tussen werkelijkheid en waarneming. Je moet half alert zijn om het meeste te zien, leert hij ons.

FILE - In this March 31, 2001 file photo, Swedish poet Tomas Transtromer poses for a photograph in his home in Stockholm, Sweden. The 2011 Nobel Prize in literature was awarded Thursday, Oct. 6, 2011 to Tomas Transtromer, a Swedish poet whose surrealistic works about the mysteries of the human mind won him acclaim as one of the most important Scandinavian writers since World War II. (AP Photo/Jessica Gow, File) SWEDEN OUT AP

De gedichten van Tomas Tranströmer zijn niet moeilijk. Je kunt ze zo lezen. Maar gaandeweg gebeurt er altijd iets bijzonders, alsof een geheimzinnige kracht in de loop van het gedicht werkzaam begint te worden. Ik pak het dikke boek met zijn verzamelde gedichten, De herinneringen zien mij (2002), in de vertaling van Bernlef. Het valt open bij een kort en eenvoudig gedicht, ‘April en stilte’. Het gaat over het voorjaar, lijkt het. ‘De lente ligt braak.’ En over een donker slootje. ‘De zijdezwarte sloot’. We zien de dichter kijken naar een paar gele glanzende bloemen. Maar hij is er niet helemaal bij. Hij beschrijft het als van een afstand, alsof hij een beetje buiten zichzelf is getreden. In het donkere slootje kan hij zichzelf niet zien, maar hij ziet wel zijn eigen schaduw. Maar dan anders: ‘Ik word in mijn schaduw gedragen’, alsof er een ander is die hem door dit stille lentetafereel draagt. Dat is al een sterk en sprekend beeld, maar het eigenlijke beeld moet dan nog komen: ‘Ik word in mijn schaduw gedragen / als een viool in haar zwarte kist.’

Een viool in een vioolkist kan, dat voelen wij ook wel aan, moeilijk tot klinken worden gebracht. Bij de vervreemding, de uittreding en de somberheid van de donkere sloot en schaduw voegt zich dus ook nog een gevoel van opgelegd zwijgen, verstikking, het wel willen maar niet kunnen spreken. Die onmacht klinkt door in de slotregels:

Het enige dat ik wil zeggen

blinkt buiten bereik

als het zilver

bij de pandjesbaas.

Hij zou wel iets willen zeggen, maar hij kan er niet bij; hij heeft zijn woorden elders ondergebracht.

Een op het eerste gezicht eenvoudig lentevers is daarmee overgegaan in de beschrijving van een bijzondere ervaring. Er zit iets van religie bij: ik ben hier niet zelf, ik ben hier in de handen van een ander. En iets van dichterlijke onmacht: ik kan het niet zeggen zoals ik het eigenlijk wil zeggen, mijn woorden schieten altijd te kort. En toch ook iets van magie, want ondanks al het onvermogen is er intussen toch maar een vers achtergebleven.

Voor zulk soort momenten heeft Tomas Tranströmer een voorkeur. Zijn gedichten beginnen meestal gewoontjes, in nuchtere en spreektalige bewoordingen, zonder veel rijm en zonder veel dichterlijke vormgeving. Maar al gauw komt er een knik in. Er ontstaat (het is moeilijk om er de juiste woorden voor te vinden) een scheur, of een kier, tussen werkelijkheid en waarneming. Er wordt een deur naar een andere wereld opengezet. Het is alsof neutrino’s tussen Zwitserland en Italië opeens sneller dan het licht blijken te kunnen reizen. Tranströmer, als hij een moment van opluchting en verlichting beschrijft: ‘een kilo woog nog maar 700 gram.’ Bij de begrafenis van een vriend merkt hij dat hij nog met hem spreken kan, in een wereld die zich niet in onze gewone tijd bevindt, maar als het ware aan de achterkant ervan: ‘De stem van mijn vriend bevond zich / aan de keerzijde van de minuten.’ Tijdens het scheren, ’s ochtends, kan zich opeens een andere werkelijkheid aandienen, als het rustige zoemen van het scheerapparaat overgaat in luider zoemen en dan vanzelf aanzwelt tot het geraas van een helikopter en de stem van een piloot die hem dwars door de herrie heen toeschreeuwt: ‘Houd je ogen open! Je ziet dit voor de laatste keer.’

Het is een van de momenten (een stem uit den hoge) waarop je vanzelf ook gaat denken aan religieuze schema’s. Tranströmer is daar nooit erg schuchter over geweest: „Ik ben op mijn eigen manier godsdienstig. Met mijn gezicht naar het christendom gekeerd, buiten het hek van de kerk”, vertelde hij eens in een interview. „Ik denk dat het typisch is voor de moderne mens dat hij zich toch op een of andere eigenaardige manier binnen dat krachtveld bevindt.” En daarom is hij, zonder uitgesproken geloofsbelijdenissen, voortdurend gespitst op aanwijzingen voor andere werkelijkheden. Een van zijn meest geciteerde versregels is deze: ‘Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één van buitenaf / en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.’ Die kans doet zich vooral voor bij de ontmoeting tussen de waarheid van het waken en die van het dromen – het grensgebied van doezel, dommel, halfslaap en siësta. Daar is Tranströmer vaak te vinden. Hij kan op een hete dag op een berg staan en over een baai uitkijken en de boten zien rusten – niet op de oppervlakte van het water, maar ‘op de oppervlakte van de zomer’. En vervolgens geeft hij de witte zeilen van de boten het woord. Of hij kan met een prachtig beeld laten zien hoe in een hotelkamer, bij het slapengaan, de lamp wordt uitgeknipt, en hoe de witte kap van de lamp dan nog even naglinstert ‘voordat hij oplost als een tablet in een glas duisternis’.

Zou Tomas Tranströmer nu een groot dichter zijn, nu hij de grote prijs gekregen heeft? Ik weet het niet. Ik weet niet wat dichters groot maakt. Ik weet wel dat ik Tranströmer altijd graag lees, om zijn rare beelden en wendingen, zijn steile geloof in andere werelden en werkelijkheden – en om zijn bewust slaperige houding. Je moet half aanwezig zijn én half alert om de beste waarnemingen te doen – dat is wat je van zijn gedichten kunt leren. Leven als een afgemeerde boot:

En in de avond lig ik als een schip

met gedoofde lichten, op gepaste afstand

van de werkelijkheid, terwijl de bemanning

rondzwalkt in de parken, daar aan land.