De stad is weduwe

Judith Herzberg: Klaagliedjes. De Harmonie, 37 blz. € 15,90

In 1971 publiceerde Judith Herzberg 27 liefdesliedjes. Deze inmiddels herhaaldelijk herdrukte bundel omvat lichtvoetige bewerkingen van verzen uit het Bijbelse Hooglied. Herzberg schreef de gedichten in opdracht van een kinderprogramma van het IKON, maar ook als volwassen poëzie laten de liefdesliedjes zich nog steeds goed lezen. Met behoud van de lyrische toon van het bijbelse voorbeeld presenteert de bundel een volstrekt eigentijdse interpretatie van verliefdheid. Zo eigentijds, dat de teksten op popmuziek konden worden gezet door The Slumberband.

Op verzoek van componist Boudewijn Tarenskeen schreef Judith Herzberg nu ook een bewerking van de Klaagliederen. Dat was een waagstuk, want het onderwerp van dit Bijbelboek staat ver van alle huidige tradities. Het behelst de rouw om de verwoesting van Jeruzalem in 586 v. Chr. Op de herdenkingsdag van de ondergang van de tempel worden de verzen nog jaarlijks in alle synagoges voorgedragen. Traditiegetrouw is het auteurschap toegeschreven aan de profeet Jeremia, maar hedendaagse theologen vermoeden dat de tekst een gezamenlijk product van verschillende dichters is.

Hoe maak je een moderne leesbare bewerking van zo’n jeremiade? De eerste stap lijkt vanzelfsprekend: Klaagliederen werd bij Herzberg Klaagliedjes. Maar bij nader inzien lijkt die verkleining toch eerder een gebaar van bescheiden ironie dan dat het de zwaarte verlicht. Lichtvoetig zijn ze zeker niet, deze klaagliedjes. Wel staan ze dichter bij huidige lezers dan de bijbelse weeklacht.

Herzberg vond daar een verrassende sleutel voor. De eerste twee zinnen van de Klaagliederen in de Statenvertaling, zag ze, vergelijken het verwoeste Jeruzalem met de positie van een weduwe. ‘Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden,’ luiden de beginwoorden van de eerste zin. Onder Herzbergs pen werd dat: ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht / en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’

Eenendertig gedichten lang blijft Judith Herzberg het weduwenspoor volgen. Het verlies blijkt ook materieel, al had en heeft de ‘ik’ daar zelf niet veel mee. ‘De ringen aan zijn vingers – / mij heeft hij kostbare sieraden / proberen op te dringen. Ik / hield daar niet zo van…’ stelt ze. Zo hier en daar gaf ze weliswaar iets weg, maar in het geheim, terwijl bij hem het ‘geven’ groots moest, galmend. ‘Verlies,’ concludeert ze dan, ‘zegt niemand iets / als wat verloren is geraakt / niet van je hanenkam / tot in je tenen voelbaar is.’

In Klaagliedjes is dus niet het verlies van goederen bepalend, al zijn gebrek en drek wel onderwerp. Maar de uiteindelijke nood is ingegeven door de dood. De poëzie in deze bundel is vooral een oefening in het leren van de taal van rouw. Het is, klaagt de weduwe, ‘alsof ik ben besmet / met wat jij net niet meer / kon zeggen.’ Het grootste gemis is dat ze, hoe ze ook probeert, hem niet meer tegen zich kan horen praten. Niettemin vindt ze woorden en beelden om het gemis en haar wanhoop uit te drukken. Het zijn dan de dingen die namens haar spreken.

De toon van Herzbergs poëzie staat ver van die van Jeremia, maar is ten minste zo klagend. Opvallend is het vormverschil. De gekunstelde prosodie van de Klaagliederen leent zich ook niet voor navolging. De eerste vier gedichten zijn Bijbelse acrostichons: elk van de verzen begint met de benoeming van een Hebreeuwse letter – van Aleph tot Tau. Een logisch gevolg daarvan is dat het eerste, tweede en vierde klaaglied elk 22 verzen hebben, en het derde het drievoud daarvan, dus 66. Herzberg koos voor haar eigen kortere vorm en directere stijl, die zich waarschijnlijk ook makkelijker op muziek laten zetten.

Ingrijpende inkorting, zoals hier van Klaagliederen tot Klaagliedjes, is niet nieuw in onze poëzie. Herzbergs 27 liefdesliedjes betroffen ook een reductie van het voorbeeld, en de psalmbewerkingen van Lloyd Haft gingen soms tot op de bodem. De oorspronkelijke veertig breedvoerige verzen van Psalm 37 vatte Haft samen in 14 woorden op 3 regels.

Zo ver ging Herzberg niet. Wel koos zij er net als Haft voor om uitgesproken bijbelse verwijzingen, zoals die naar de ‘Heere’, buiten de tekst te houden. Dat bood ruimte voor refreinliedjes met zelfzingende regels zoals ‘Mijn welp mijn troost mijn lieveling / mijn kampioen beginneling / je werd mijn reus je werd mijn leeuw / maar naast jou werd ik / nooit leeuwin.’ Zulke regels maken extra benieuwd naar de muziek die Tarenskeen bij Herzbergs klaagliedjes componeren zal.

    • Arie van den Berg