De Middeleeuwen: echt, eigen, en o zo gezellig

In zijn fascinerende studie laat Peter Raedts haarscherp zien door welke brillen de mensheid de Middeleeuwen zoal heeft bekeken. Maar waarom zet hij vervolgens dan zelf ook zo’n bril op?

Peter Raedts: De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie. Wereldbibliotheek, 432 blz. € 29,90

In de tijd dat ik geschiedenis studeerde is er geen vakgebied zo vaak hot verklaard als dat van de Middeleeuwen. Het begon bij Kruistocht in spijkerbroek van Thea Beckmann (1973), het werd al serieuzer met Montaillou van Emmanuel Le Roy Ladurie (uit 1975, maar in Nederland pas langzaam doorgedrongen) en in 1980 maakte Umberto Eco het succes compleet met De naam van de roos. Op radio en tv spraken ze van een golf van middeleeuwse boeken.

Twee jaar later begon ik met drie medestudenten colleges Middeleeuwse geschiedenis te volgen. Twee van hen zouden na een jaar alweer voor andere studies kiezen. En als ik in de jaren daarop wel eens met vijftien studenten tegelijk in één kamer heb gezeten, dan waren het er veel. Bij Nieuwe en Theoretische geschiedenis puilden de collegezalen uit.

Nederland bekommert zich niet om de Middeleeuwen. Nooit gedaan ook. De simpelste verklaring is dat Nederland geen Middeleeuwen heeft gekend, of liever: dat de Middeleeuwen geen Nederland kenden. Wat in de eeuwen tussen 500 en 1500 – de bandbreedte die doorgaans voor de Middeleeuwen wordt genomen – rond de delta’s van Rijn en Maas en IJssel lag, was een verzameling dorpen, ambachten, heerlijkheden, een handjevol steden, een paar graafschappen en een enkel hertogdom. Ze vochten vaker onder elkaar dan met mensen die hun taal niet verstonden.

Dat veranderde pas in de zestiende eeuw toen de provinciën samen een buitenlandse bezetter verjoegen. Dat werd dus meteen onze Gouden Eeuw. ‘Wie in Nederland de natie wilde bezingen, moest zich wenden tot de zestiende en zeventiende eeuw’, schrijft de mediëvist Peter Raedts in De ontdekking van de Middeleeuwen.

Het hoofdstuk waarin Raedts (1948), hoogleraar in Nijmegen, de verhouding tussen Nederland en de Middeleeuwen beschrijft, heeft hij ‘Uitzondering’ genoemd. Terwijl de overige Europese landen vooral in de 19de eeuw, de eeuw van het nationalisme en de modernisering, hun Middeleeuwen verhieven tot oertijd der natie, konden de Nederlanders er nauwelijks iets van hun gading vinden.

Raedts geeft een mooi voorbeeld om het verschil aan te duiden. ‘In middeleeuwse Engelse kerken hangt vrijwel altijd aan de wand een lijst van alle geestelijken die de kerk bediend hebben […] vanaf de twaalfde of de dertiende eeuw, tot de huidige predikant […] Een indrukwekkende getuigenis van het bewustzijn van ongebroken verbondenheid met het middeleeuws verleden. […] Ook in de middeleeuwse kerken in Nederland hangen vaak lijsten van geestelijken die er dienst hebben gedaan. Maar bijna altijd beginnen die in het jaar waarin de Reformatie in de betreffende kerk is ingevoerd, ergens tussen 1570 en 1580.’

Eendjes

In dit voorbeeld zit bijna alles van Raedts’ boek. Aan de positieve kant staan zijn belezenheid en het trefzekere, concrete gebruik van de vele bronnen die hij tot zijn beschikking heeft. Aan de andere kant heeft hij soms oprispingen van het lelijke-eendjesgevoel waar mediëvisten – die anderhalve man en die paardenkop uit mijn studietijd – wel vaker mee worstelen. Ook Raedts schrijft met enige jaloezie over het gemak waarmee de Oudheid zich in het nationale geheugen van de meeste Europeanen heeft vastgezet – wel weer met een mooi zinnetje: ‘De Ouden zijn de voorouders die we graag gehad zouden hebben, de Middeleeuwers zijn de voorouders met wie we het in feite moeten doen.’

Raedts’ De ontdekking van de Middeleeuwen bestaat eigenlijk uit twee boeken. Het ene beschrijft hoe de Middeleeuwen in de vijfhonderd jaar erna telkens opnieuw werden ontdekt door historici, juristen, filosofen, schrijvers. In dat deel is Nederland dus de uitzondering. In Engeland, Frankrijk en Duitsland – de landen waar Raedts met ontzagwekkende kennis van de literatuur over schrijft – zijn van 1600 tot 2010 de Middeleeuwen telkens opnieuw bekeken en gebruikt. Wat de ‘moderne’ Europeanen er zochten? Raedts categoriseert dat als echtheid, eigenheid en gemeenschap; positieve eigenschappen die de Middeleeuwen werden toegedicht.

De echtheid stond vooral in contrast met de Oudheid, die oer-humanist Petrarca tot schitterend voorbeeld aan de wereld had gesteld, en met de moderne mens. De middeleeuwer was misschien onbeschaafd, maar wel op een superieure manier. Raedts heeft ook hierbij een mooie anekdote. De schrijfster Germaine de Staël stak in 1803 per boot de Rijn over. Te midden van het gebruikelijke tumult aan boord zag zij een boerenvrouw kalmpjes op een kar zitten. Toen de Française opmerkte dat de vrouw wel erg rustig bleef, antwoordde die: ‘Waarom zoveel lawaai maken?’

Het simpele antwoord zag Madame de Staël aan voor frisse eenvoud en ze hield haar eigen land en de door haar gehate hyperrationalist Napoleon l’Allemagne voor als toonbeeld van authenticiteit. Met dergelijke voorbeelden beschrijft Raedts ook de ontdekking van de Middeleeuwen als eigen – met name in het vroege nationalisme van de 18de eeuw – en als knusse gemeenschap, met name in de hectische jaren van de industrialisering in de 19de en 20ste eeuw. Raedts stelt vast hoe verschillend Verlichte en Romantische denkers naar de Middeleeuwen keken. ‘In de Verlichting werden de Middeleeuwen voorzichtig ontdekt, maar alleen in zoverre zij konden gelden als de eerste opmaat naar de moderne tijd. Na de (Franse, red.) Revolutie werden de Middeleeuwen omhelsd en ging de middeleeuwse maatschappij gelden als blauwdruk van een rechtvaardige, harmonieuze, geordende en vreedzame samenleving.’

In deze hoofdstukken, veruit het grootste deel van zijn boek, is Raedts de afstandelijke geleerde, die hooguit in een enkele formulering zijn sympathie laat doorklinken. Hij blijft zich bewust van de historische, culturele en ideologische achtergrond van de schrijvers die hij behandelt. Het is heel leerzaam om te zien hoe die verschillende ‘Middeleeuwen’ werden gebruikt om politieke of religieuze aanspraken in de eeuwen daarna kracht bij te zetten.

Des te wonderlijker is het andere deel van zijn boek, bestaande uit de inleiding en de slotbeschouwing, waar ineens een heel andere schrijver aan het woord lijkt.

In deze hoofdstukken toont Raedts zich een man met een opdracht. Hij stelt zich nadrukkelijk teweer tegen zijn tijdgenoten die geneigd zijn de verre geschiedenis als vreemd en anders bij te zetten in een museum en er naar te kijken zonder zich er werkelijk mee verbonden te voelen. ‘Zo blijven de Middeleeuwen de tijd waarvan wij niets kunnen leren.’ Nog voordat je kunt denken moet dat dan? dendert Raedts al door. ‘Wil het middeleeuws verleden nog een rol spelen in de reflectie van Europa op zijn eigen cultuur, dan moeten wij proberen om de Middeleeuwen weer ter sprake te brengen binnen het meer omvattende verhaal van de westerse cultuur.’

Breekijzer

En dat is alleen nog maar de inleiding. Als hij daarna zes hoofdstukken wetenschappelijk- kritisch de inspanningen heeft besproken van zijn voorgangers, die de Middeleeuwen als breekijzer in hun eigen tijdvak zetten – van nationalisten als Joachim Herder tot utopisten als Claude Henri de Saint-Simon – dan verwacht je dat Raedts daardoor voorgoed genezen zou zijn van het idee dat de geschiedenis iets móet van het heden. Maar toch vindt hij dat. Volgens hem is ‘de zin van de studie der Middeleeuwen’ gelegen ‘in het aangaan van de confrontatie tussen onze macht en hun machteloosheid’. De Middeleeuwen als memento mori. Raedts schrijft: ‘De werkelijke centra van macht, rijkdom en cultuur lagen tot ver na 1500 in steden als Constantinopel, Bagdad, Córdoba, Kairo, Delhi en Peking en niet in Rome, Florence, Parijs of Londen.

Ook hierin zijn de Middeleeuwen ons dus vreemd, dat Europa niet het centrum van de wereld was maar een van de vele culturen, en zeker niet de meest ontwikkelde.’ Hoe vaak ik ook met mijn ogen knipper, ik blijf me verbazen over die laatste zin. Is Europa anno 2011 het centrum van de wereld? Ik wil best geloven dat Bagdad nu even geen centrum van macht, rijkdom en cultuur is, maar Peking en Delhi komen in de buurt.

Als het ene deel van De ontdekking van de Middeleeuwen een intelligente, soms wat wijdlopige verkenning van vijf eeuwen historiografie is, dan is het andere een schotschrift – en niet altijd even intelligent. Om de Middeleeuwen te bevrijden van hun slechte imago, stelt Raedts voor de periodisering ervan te veranderen. Hij kiest voor een nieuwe driedeling, waarbij zijn Middeleeuwen van 1000 tot 1800 lopen.

Zou dat onze verbondenheid met Karel de Grote, Thomas van Aquino en Jacoba van Beieren echt vergroten? Zouden we dan wel denken ‘aan de grenzen die aan alle menselijk kunnen gezet zijn’ en ons laten manen ‘tot een humaan en terughoudend gebruik van de macht die ons sindsdien ten deel is gevallen maar ons ook vertrouwen geeft voor een toekomst waarin deze macht met anderen gedeeld zal moeten worden?’

Hier spreekt de wetenschapper niet meer, hier spreekt een geestelijk leidsman. Hier sluit Raedts aan in de rij wonderlijke voorgangers die hij daarvoor juist, zoals het hoort, met distantie en frisse scepsis bekeken had.