Blunderen ten tijde van crisis

Welke ideeën veroorzaakten de enorme welvaartsgroei van de afgelopen anderhalve eeuw en van wie waren ze afkomstig? De Amerikaanse econome Sylvia Nasar, vooral bekend als schrijfster van het verfilmde A Beautiful Mind plaatst ditmaal een hele serie geniale geesten in de context van hun tijd.

Sylvia Nasar De wil tot welvaart. Het verhaal van geniale economen ( A Grand Pursuit. The Story of Economic Genius). Vert. Henny Corver, Luud Dorresteijn en Pon Ruiter. Bezige Bij, 574 blz. €34,-

Welvaart is niet vanzelfsprekend. Ook al is de wereldbevolking de afgelopen anderhalve eeuw spectaculair welvarender geworden, dit proces verloopt schoksgewijs en ongelijkmatig. De voortwoekerende Amerikaanse kredietcrisis en de Europese schuldencrisis illustreren dat economische ontwrichtingen dramatische gevolgen hebben. Banken en landen vallen om, economieën krimpen, werkgelegenheid gaat verloren. De financiële crisis die de wereld nu al vier jaar teistert heeft een kolossaal welvaartsverlies met zich meegebracht.

De Amerikaanse econoom, journalist en schrijfster Sylvia Nasar betoogt in De wil tot welvaart dat de kapitalistische economische ontwikkeling, te beginnen bij de industriële revolutie in Engeland, de armoede, honger en ziekte die het grootste deel van de mensheid altijd geteisterd heeft gestaag heeft teruggedrongen. Ondanks schokken en crises, ondanks wereldoorlogen en totalitaire ontsporingen, ondanks politieke verblinding en uitwassen van het casinokapitalisme die de 20ste eeuw hebben getekend. Mensen zijn materieel gezien niet langer onderworpen aan een statische maatschappelijke orde, ze zijn in staat hun levensstandaard te verbeteren.

‘Het idee dat de mens gevormd wordt door zijn omstandigheden en dat die omstandigheden niet vooraf zijn bepaald […] is een van de meest radicale ontdekkingen uit onze geschiedenis. Die ontdekking […] impliceerde dat de mensheid […] klaar was haar lot in eigen handen te nemen’, schrijft Nasar. Ze baseert zich daarbij op Alfred Marshall en John Maynard Keynes die economie respectievelijk zagen als ‘analytische machine’ en ‘apparaat van de geest’. Met instemming haalt ze een uitspraak aan van Keynes dat ideeën een grotere invloed hebben gehad op de economie dan de uitvinding van de stoommachine.

De wil tot welvaart is meer dan een boek over de geschiedenis van de politieke economie, het beschrijft in levendige stijl – voortreffelijk vertaald – de turbulente periode waarin de omslag plaats had van verontwaardiging over economische misstanden naar analyses van economische processen en aanbevelingen voor economisch beleid. Nasar vertelt dit verhaal via de levens van ‘geniale economen’, die ze telkens plaatst in de context van de politieke en economische gebeurtenissen van hun tijd. Daarbij besteedt ze veel aandacht aan de wisselwerking tussen het persoonlijke leven en de maatschappelijke omgeving. De economen die ze beschrijft vervulden vrijwel allemaal een vooraanstaande maatschappelijke rol. Rechtstreeks in het openbare bestuur, of indirect door hun intellectuele invloed.

Nasar begint haar speurtocht naar economen die ‘koel van hoofd maar warm van hart’ waren in Engeland rond 1840 bij Charles Dickens, wiens romans een aanklacht tegen de schrijnende Engelse armoede bevatten. Na verwijzingen naar Thomas Malthus, John Stuart Mill en Thomas Carlyle en een tussenstop bij Friedrich Engels en Karl Marx vormt de Wereldtentoonstelling van 1851 een kantelpunt. Het Crystal Palace symboliseerde de triomf van het Engelse industriële kapitalisme, maar ook het perspectief tot verbetering van de omstandigheden van de werkende klasse. Alfred Marshall, de grondlegger van de klassieke economische theorie, toonde aan dat de kapitalistische concurrentie niet leidde tot Verelendung, maar tot productiviteitsverbetering waarvan de winsten niet alleen de bezittende klasse, maar ook de arbeiders en de consumenten ten goede kwamen. Onderwijs en vakbonden waren van grotere betekenis dan de proletarische revolutie van Marx om de levensomstandigheden in de Victoriaanse tijd te verbeteren. Beatrice Webb, de gedreven activiste van de socialistische Fabian Society (met haar man Sidney Webb en de schrijvers George Bernard Shaw en H.G. Wells) ontpopte zich vervolgens als de wegbereidster van de verzorgingsstaat.

Sylvia Nasar raakt echt op dreef als ze de Oostenrijkers Joseph Schumpeter en Friedrich von Hayek, de Amerikaan Irving Fisher en bovenal de Brit John Maynard Keynes in haar verhaal betrekt. Aan deze giganten wijdt ze het overtuigendste deel van haar boek. Daarbij dringen de parallellen met het heden zich op. Oostenrijk bevond zich in 1919 in een rampzalige situatie. Het land kampte met een onbetaalbare oorlogsschuld, het Oostenrijkse keizerrijk was uit elkaar gevallen. De briljante econoom Joseph Schumpeter was op zijn 36ste minister van Financiën geworden. Hij stond voor de keus – net als de Griekse regering op dit moment – om belastingen te heffen, bankiers te dwingen staatsobligaties te kopen, de laatste goudreserves aan te spreken of staatseigendommen te verkopen. Met een radicaal economisch herstelplan wilde hij de overheidsfinanciën op orde brengen en de Oostenrijkse munt stabiliseren. Maar Oostenrijk kreeg zware herstelbetalingen opgelegd en nieuwe kredieten bleven uit. Schumpeter, die een opzichtig privéleven leidde, werd als minister ontslagen. De enige uitweg was om de geldpers te laten draaien. In 1921 belandde Oostenrijk in een spiraal van hyperinflatie zoals Duitsland twee jaar later zou meemaken.

Bij de onderhandelingen over de herstelbetalingen die de overwinnaars aan Duitsland en Oostenrijk in 1919 oplegden, ontplooide Keynes voor het eerst zijn economische inzichten. In de jaren voor WO I leidde hij het zorgeloze leven van de geprivilegieerde Engelse bovenklasse. In Cambridge was hij lid van het geheime studentendispuut Apostles en hij maakte deel uit van de Bloomsbury groep van kunstenaars, schrijvers en intellectuelen. Tijdens de oorlog was hij belast met het vergaren van Amerikaanse leningen voor Groot-Brittannië. Als lid van de Britse onderhandelingsdelegatie in Versailles verzette hij zich tevergeefs tegen de exorbitante herstelbetalingen die Frankrijk (dat geld nodig had om zijn schulden aan Groot-Brittannië te kunnen aflossen) en in mindere mate Groot-Brittannië (dat in het krijt stond bij de VS) aan Duitsland wilden opleggen. Hij voorzag dat Duitsland zou bezwijken onder de schuldenlast en dat daarmee de kiem voor een economisch drama werd gelegd. Over de drijfveren van de overwinnaars ten aanzien van de herstelbetalingen schreef hij ‘dat hun besluiten werden ingegeven door theologie, politiek, electorale chicanes en alle mogelijke andere zaken – alles behalve de economische toekomst van de landen met wier lot ze zich bezighielden.’

Aan een vriendin van de Bloomsbury groep, kunstenares Vanessa Bell, schreef hij vanuit Parijs dat ze ‘de verbijsterende combinaties van psychologie, persoonlijkheid en intrige waardoor de komende catastrofe in Europa zo’n geweldig spektakel gaat worden, zeker amusant zou vinden.’

Keynes liet zich vaker minachtend uit over het economische verstand van politici: in 1930, aan het begin van de economische depressie, schreef hij: ‘Het duurt even voor de wereld er achter is dat we dit jaar in de schaduw leven van een van de grootste catastrofes uit de moderne geschiedenis. […] We hebben ons een kolossale hoeveelheid ellende op de hals gehaald omdat we hebben geblunderd bij het besturen van een gevoelige machine waarvan we niet begrijpen hoe ze werkt.’

Tijdens de Tweede Wereldoorlog (Keynes was opnieuw belast met het loskrijgen van Amerikaanse oorlogskredieten en fungeerde in feite als de Britse minister van Financiën) had Keynes zich ten doel gesteld om de fouten die in 1919 waren gemaakt, niet te herhalen. Hij was de intellectuele reus op de conferentie van Bretton Woods in 1944, waar het naoorlogse stelsel van vaste wisselkoersen met de dollar als anker, en de oprichting van het IMF en de Wereldbank werden uitgewerkt.

Dat was het hoogtepunt en tevens het einde van Keynes’ indrukwekkende publieke en intellectuele carrière, want hij was ernstig verzwakt; in 1946 overleed hij. Het had ook het einde van Nasars boek moeten zijn, want daarna verliest De wil tot welvaart zijn spanning. Nasar behandelt nog wat naoorlogse economische beroemdheden, maar haar keuze is willekeurig en hun verdiensten worden afgeraffeld: Milton Friedman, Paul Samuelson, Gunnar Myrdal. Waarom de laatste twee hoofdstukken gewijd zijn aan Joan Robinson, een Britse econome die de stalinistische planeconomie kritiekloos bewonderde, en aan Amartya Sen, de Indiase econoom die welzijn als economisch begrip invulling heeft gegeven, is onduidelijk.

Des te opvallender is dat Nasar de verabsolutering van de markt na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en de abstracties waarop de financiële alchemie was gebaseerd die uitmondde in de huidige crisis, helemaal niet noemt. Evenmin besteedt ze aandacht aan de intellectuele verlamming waarin de economische wetenschap verkeert sinds het uitbreken van de crisis. Misschien zijn er in haar opvatting na Keynes geen geniale economen meer geweest.

Dit neemt niet weg dat De wil tot welvaart een meeslepend boek is. Verstandige economische inzichten zijn ook nu van het grootste belang om welvaart te behouden en wereldwijd meer mensen hierin te laten delen. Er is geen weg terug. Maar de weg vooruit is minder duidelijk afgebakend dan men dacht na de desastreuze ervaringen van de eerste helft van de 20ste eeuw die Nasar zo indringend beschrijft.