Argeloos in bang Londen

Anna Funder: All that I am. Viking, 315 blz. € 23,-. De Nederlandse vertaling van Harry Pallemans (Al wat ik ben,) verschijnt eind november bij Contact (€24,95)

Het blijft een hachelijke onderneming, een roman schrijven die op bestaande feiten en personen is gebaseerd. Zeker als een van die personen een historische beroemdheid is die zijn eigen biografie heeft geschreven en die ook nog flarden van andere levens op diverse plekken documenteert. De schrijver worstelt voorspelbaar met de vraag wat hij/zij daarbij aan fantasie mag toevoegen en ziet zich in de constructie van de roman grandioos beperkt door de onwrikbare historische feiten.

Dat zijn enkele van de moeilijkheden waarmee ook Anna Funder te maken kreeg in haar eerste roman All that I am, een dramatisch verslag van een groep Duitse ballingen, onder wie de schrijver Ernst Toller en Ruth Wesemann, die in de jaren dertig in Engeland de strijd tegen Hitler proberen voort te zetten.

Funder (auteur van het veelgeprezen en -bekroonde Stasiland, over het dagelijks leven in de DDR) begint haar roman met het moment waarop Wesemann, dan een bejaarde en hulpbehoevende Duitse vrouw, een exemplaar van de Amerikaanse editie van Ernst Tollers autobiografie I was a German ontvangt, met een opdracht aan haar en een handgeschreven toevoeging die bij Ruth de herinneringen aan de gebeurtenissen voor de oorlog op gang brengt.

Wesemann woont op dat moment in Sydney, Australië (evenals auteur Funder, die daar met haar bevriend raakte) en heeft niet lang meer te leven. Funder reconstrueert de gebeurtenissen in afwisselend door Wesemann en Toller geschreven hoofdstukken. De centrale gebeurtenis speelt zich af in 1933 in een flat in Londen waar de levenloze lichamen van twee vrouwen in een bed worden aangetroffen. Alles wijst op een zelfmoordpact, maar is het dat ook?

Een nauwkeuriger reconstructie zou er op wijzen dat de lange arm van de nazi’s zich ook tot de Britse hoofdstad heeft uitgestrekt. De ontdekking dat Wesemanns echtgenoot de verrader is, niet alleen van de beide vrouwen maar ook van enkele van hun contacten in Duitsland, ruïneert haar leven.

Sanatorium

Het boek komt wat langzaam op gang, met uitgebreide beschrijvingen van Tollers ervaringen in de Eerste Wereldoorlog (waar hij als jood enthousiast aan deelnam), zijn verblijf in een sanatorium, zijn opkomst als zegsman van de linkse beweging en zijn rol in de socialistische opstand in Duitsland in 1919. En uiteraard ook zijn successen als dichter en toneelschrijver.

Funder volgt in alles (te) nauwgezet Tollers autobiografie, met veel bespiegelingen die uit zijn werk zijn geciteerd. Dat leidt in belangrijke mate de aandacht af van de hoofdlijn van het verhaal. Je kunt je zelfs afvragen waarom Funder hem als een van de twee, zo overheersende, vertellers gebruikt, omdat hij bij het centrale drama maar zijdelings een rol speelde.

De auteur voelt zich ook genoodzaakt haar boek meer historisch gewicht te geven door al te bekende gebeurtenissen (de brand in de Reichstag in 1933, de Nacht van de Lange Messen, 1934) uitgebreid in haar relaas te plaatsen. Daarmee kan je het tijdsbeeld versterken (en gebeurtenissen als deze zullen zeker van grote invloed zijn geweest op het doen en laten van de toch al angstige emigrés), maar binnen de roman is het een dikwijls vertragend element.

Toch is All that I am een boek dat je huiverend uitleest. Funder schetst namelijk uitstekend de aanvankelijk nog argeloze sfeer in de kleine, zich snel uitbreidende Duitse emigrantenkringen in Londen. Al snel wordt die sfeer grimmiger wanneer de dreiging van de ook in die stad actieve Gestapo urgent wordt en het duidelijk is dat de Britse overheid, nog altijd hopend dat het nazi-gevaar zal overwaaien, hen niet zal beschermen.

De toenemende angst, achterdocht, paranoia, het (in retrospectief) toch nog langzaam groeiende besef dat het kwaad werkelijk zulke proporties zal aannemen – het is met een beklemmende overtuigingskracht beschreven. Funder roept hier een weinig bekend aspect van de periode tussen beide Wereldoorlogen tot leven en het is een onmiskenbare verdienste dat ze de hierboven geschetste bezwaren uiteindelijk tot secundair weet te maken.

Oosterburen

Een pikant detail ten slotte: Toller, de romanfiguur, maakt er melding van dat de Nederlandse PEN-delegatie in 1933 (!) samen met de Duitse delegatie de zaal verliet uit protest tegen zijn aanwezigheid op een congres in Dubrovnik. Navraag leert dat het hier geen fictie maar feit betreft. De Nederlanders, onder wie Jo van Ammers-Küller, wilden hun oosterburen maar al te graag apaiseren en gingen mee in het protest tegen de uiterst linkse Duitse auteur. Het werd een relletje, en de PEN voelde zich later genoodzaakt te verklaren dat hiermede ten onrechte de indruk werd gewekt ‘als zouden de Nederlandsche letterkundigen en in het algemeen de Nederlandsche intellectueelen, de anti-humanistische daden der Duitschen regering goedkeuren.’ Waarvan akte.