Alleen maar stomme mensen

Karin Amatmoekrim: Het gym. Prometheus. 256 blz. € 18,95

Nooit geweten dat er in IJmuiden zoveel allochtonen woonden. En dus ook niet dat dat weleens spanningen opleverde met de overige IJmuidenaren. Totdat ik een roman las van Karin Amatmoekrim. Zij woonde er jarenlang met haar moeder en deed een paar keer een boekje open over de zwarte achterstandswijk, die er nooit echt bijhoorde. Niet bij de rest van IJmuiden, en al helemaal niet bij het welvarende Velsen Zuid.

In de autobiografische roman Wanneer wij samen zijn (2006) kwam IJmuiden ter sprake als het eindpunt van een lange reis. De familie Amatmoekrim verplaatste zich in de loop der jaren van Indonesië, via Suriname naar Nederland, waar de ontvangst weinig hartelijk bleek te zijn.

In haar vierde roman, Het gym, gaat het opnieuw over IJmuiden, al valt de naam niet één keer. In een van de grijze zelfmoordflats woont de 13-jarige Sandra die als enige arme ‘wijker’ een gymnasiumadvies heeft gekregen. Haar vriendinnen willen weten hoe ‘het gennasium’ in het rijke dorp haar bevalt. ‘Alleen maar stomme mensen’, zegt Sandra dan maar, om ervanaf te zijn. Hierin valt een reactie te beluisteren op Alleen maar nette mensen (2008) van Robert Vuijsje. Zijn hoofdpersoon, een gymnasiast uit Oud Zuid, ging naar de Bijlmer om daar exotische dames te leren kennen. Amatmoekrims jonge heldin doet het tegenovergestelde: zij begeeft zich als exotische dame tussen de hockeyers, de kakkers en de paardenmeisjes. Waarom? Om haar ambitieuze moeder te behagen, zo lijkt het. Maar toch ook om haar horizon te verbreden. In de praktijk blijkt ze vooral interessant te worden gevonden omdat ze de rol van ‘excuusneger’ vervult, zoals klasgenoot Bart, een Geert Wilders-achtig type, haar onder de neus wrijft. Haar gymnasiumvriendinnen menen heel ruimdenkend te zijn, maar koesteren intussen allerlei rare vooroordelen.

Dit klinkt misschien wat zwaar, maar Het gym is een lichtvoetige en ook nogal geestige roman. Het aangenaam luchtige zit vooral in de heldere, spreektalige zinnen en in de trefzekere dialogen, waarin veel jongerenjargon is verwerkt. Als Sandra, op aandringen van haar vriendinnen, auditie doet voor het schooltoneel, omdat dat ‘ab-so-luut onmisbaar’ zou zijn voor haar ontwikkeling, krijgt ze een rol toegewezen in een eigentijdse versie van Faust. Dan roept ze verschrikt uit: ‘Tering, ik ben god.’

Het gym gaat over een jong meisje dat opgroeit. En ook haar valt het vaak tegen. Het aardige van dit boek is vooral dat Sandra geen typetje is geworden. Ze is geen woordvoerster van een belangengroepering, maar een kwetsbare, onzekere puber, die het allemaal niet zo goed weet. Amatmoekrim portretteert hier een ontheemde, die steeds opnieuw tussen wal en schip valt. Ze is nooit helemaal Nederlands geworden, maar ze is ook niet meer echt Surinaams. Geen slet, maar ook geen nerd. Geen anita of sjonnie, maar ook geen zelfverzekerde gymnasiast.

Amatmoekrim kiest, zou je kunnen zeggen, voor een dubbel paspoort, een dubbele identiteit. Ze staat niet toe dat Sandra ‘een bruine kakker’ wordt – iemand die achterstandswijk en gymnasium soepeltjes met elkaar weet te combineren. Om haar heldin scherp te houden, zal ze moeten lijden.

Janet Luis