Al weer zo'n pak met 300 pagina's

Drie essayisten buigen zich over de toekomst van de roman, die dreigt te verstenen in zijn canon. Is de tijd gekomen voor een ander genre, dichter bij de werkelijkheid, minder, tja, minder verzonnen?

Bas Heijne: Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 96 blz. € 12,50

Orhan Pamuk: De naïeve en de sentimentele romanschrijver. Vert. Hanneke van der Heijden, Margreet Dorleijn. De Arbeiderspers, 224 blz. € 21,95

Paul Claes: C. Honderd notities van een alleslezer. De Bezige Bij, 240 blz. € 19,90 Verschijnt op 13 oktober.

Het is met literatuur net als met God: je gelooft erin of niet. De ongelovigen winnen terrein. Ze kiezen voor het nieuws, voor het internet, voor non-fictie – voor genres en media die dichter bij de werkelijkheid lijken te liggen. De fabel die de roman ons voorschotelt, verliest aan kracht.

Hoewel de ongelovigen moeilijk te bekeren lijken, doen de gelovigen verbeten pogingen het tij te keren. Dat levert vele mooie verhandelingen op over wat literatuur nu eigenlijk is, of ze een toekomst heeft, en waarom ze zo belangrijk is. De nieuwste bijdragen aan het debat komen van Paul Claes, Orhan Pamuk en Bas Heijne. Om in religieuze termen te blijven: een devoot, een bekeerde en een twijfelaar. De twijfelaar is, zoals altijd, het interessantst, want hij legt de roman waarlijk onder de loep, en lijkt bereid zijn verlies te nemen.

De devote Paul Claes daarentegen bevraagt nergens het object van zijn geloof. Zijn bundel C. Honderd notities van een alleslezer is het werk van iemand die bezeten is van literatuur. De toekomst of de waarde ervan staan niet ter discussie: Claes is als de priester die niet in de gaten heeft dat hij voor een lege kerk staat.

Hij tracht ook niet de gemeente ergens van te overtuigen, maar overspoelt ons met zinloze of toch in ieder geval weinig samenhangende feiten uit de canon. Aragon citeerde Racine, en Goethe citeerde Griekse epigrammen. Het zijn het soort weetjes waar een leraar zijn lessen mee doorspekt, of een essayist zijn essays. Blijkbaar had Claes er nog een aantal op de plank liggen.

De ironie wil dat ze perfect zouden zijn als blogs of tweets, maar dat ze in boekvorm vrij onverteerbaar zijn. Niet zozeer omdat ze flauw (Van Maerlaent is ‘de wikipedia van de Lage Landen’) of innerlijk tegenstrijdig zijn (waarom zijn schrijversinterviews zo verwerpelijk, als Claes zelf zich voortdurend verliest in pseudo-psychoanalytische opmerkingen over bijvoorbeeld de ‘narcistische neurose’ van Kafka of de moederbinding van Beckett?), maar vooral omdat de betekenis van dit alles onbesproken blijft. Wat doet het ertoe dat Kafka een verhaal schreef waar de F veel in voorkomt? Wat verandert dat aan onze blik op de wereld?

Waar Claes in zijn invloedrijke boek Echo’s echo’s benadrukte dat een citaat alleen belangrijk is om de betekenis die het krijgt in het hier en nu van de lezer, beperkt hij zich nu tot het vinden van de brontekst. Jaloersmakend belezen en onuitstaanbaar ijdel wijst Claes vondst na vondst aan: bronnen die niemand eerder gevonden heeft. Over het algemeen helaas van teksten die niemand meer leest. Met zulke in zichzelf gekeerde vormen van literatuur beschouwen gaan we de oorlog niet winnen.

Postmodernisme

Ook nogal humanistisch en ouderwets, maar veel interessanter, is Orhan Pamuks De naïeve en de sentimentele romanschrijver. In deze lezingen, die de schrijver vorig jaar gaf aan Harvard, spreekt Pamuk keer op keer van de ‘geheime kern’ van de roman. Het moet zijn academische gehoor, gepokt en gemazeld in het postmodernisme dat nu juist iedere kern ter discussie stelt, nogal bevreemd hebben. Pamuk zelf komt er ook niet helemaal uit: aan de ene kant is het onze heilige opdracht de kern van een roman op het spoor te komen. Een grote roman heeft voor hem de vorm van ‘een puzzel, waarvan de oplossing de kern van de roman onthult’. Aan de andere kant is hij belezen en modern genoeg om te weten en te verklaren dat ‘er niet één enkele kern is’.

Ook Pamuks liefde voor de canon zal de Amerikaanse studenten verbaasd hebben. Hebben ze net geleerd dat de canon niets is dan een westerse, zelf-bevestigende constructie, komt er een gastschrijver uit Turkije die nauwelijks spreekt over zijn eigen traditie, maar zich in alle opzichten spiegelt aan de dominante westerse canon en die verdedigt in termen die verouderd aandoen: ‘de grote romans’, ‘de grootste aller tijden’, ‘onsterfelijke symbolen’. Met een heilig vuur en met veel verwijzingen naar Tolstoj, Joyce of Woolf legt Pamuk uit waarom de roman onze enige hoop is.

Verreweg het spannendst wordt het bij Pamuk waar hij iets laat doorschemeren van de onzekerheid die een Turkse schrijver heeft tegenover het werk van al deze geweldenaren. Of waar hij vertelt hoe hij als een jonge bekeerling de literaire wereld betrad en de klassieken verslond, en hoe eenzaam dat hem maakte omdat hij op die manier ‘ buiten zijn gemeenschap’ trad, uit de traditie en richting het Westen.

Of waar hij beschrijft hoe hij en zijn collega’s omgaan met de kennis en verwachtingen van hun niet-westerse lezers. Dat is het probleem waar ik liever meer over had gelezen dan weer eens over Schiller en Rousseau. Want is dat niet precies wat de roman bedreigt: haar schijnbare onverenigbaarheid met de werkelijkheid waarin de lezer leeft?

Blijkbaar is er iets waarin de roman tekortschiet, ondanks Pamuks herhaalde verzekering dat het romans lukt ‘een groter gevoel van echtheid teweeg te brengen dan het leven zelf dat kan’. Dat is nu juist het probleem, wat ook blijkt uit Pamuks initiatief om in Istanbul een ‘museum van de onschuld’ te openen, vol met aanraakbare maar vergeten dingen, van jurken tot medicijnflesjes. Het moet blijkbaar échter.

Dat besef ligt ook ten grondslag aan Bas Heijnes boek Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk, waarin hij onderzoekt wat de roman nu nog voor ons kan beteken. Want niet alleen voor jonge internetters, ook voor de essayist zelf lijken romans er steeds minder toe te doen. Is de tijd gekomen voor een ander genre, dichter bij de werkelijkheid, minder, tja, minder verzonnen? Alleen de 19de-eeuwse romans waarnaar Heijne steeds terugeert (ook in zijn essays) kunnen hem nog iets nieuws vertellen. Of dat nu aan hemzelf ligt, of aan de literatuur, daar is Heijne nog niet helemaal over uit.

Vandaar dat hij een rondgang maakt langs de denkers die zich de afgelopen jaren over de roman hebben gebogen (Kundera, Fienkelkraut, Marx, Eagleton, Todorov) en die zich bezorgd hebben uitgesproken over de gebrekkige culturele bagage waarmee jonge lezers de literaire traditie domweg niet kunnen begrijpen, en over het gebrek aan gemeenschappelijke referentiepunten in de geschiedenis.

Heijne deelt hun zorg, en wordt zo toch enigszins de cultuurpessimist die hij zegt niet te zijn. Blijkbaar helpt zijn overtuiging dat cultuur per definitie ‘ in beweging’ is, niet tegen de doemgedachte dat beweging in deze cultuur wel erg op stilstand lijkt. En daartegen is weinig te beginnen, weet Heijne. Noch het humanistische perspectief (de gelovigen die de lezers terug de kerk in willen krijgen), noch het sociologische (de ongelovigen die met Bourdieu menen dat literatuur alleen een statusverhogende functie heeft) voldoet om de literatuur nieuw leven in te blazen.

Slotsom

Interviews en essays die eerder verschenen in deze krant aan elkaar knopend, belicht Heijne het debat van vele kanten, om tot de slotsom te komen dat wat er nodig is uit de literatuur zelf moet komen: de romanschrijver moet ‘morele betrokkenheid’ tonen. Hij moet de ‘worsteling met woord en wereld’ voorzetten die de groten voor hem ook al hadden vertoond. Dan kan de roman doen waar ze voor nodig is: de sluiers afrukken die wijzelf steeds weer voor de werkelijkheid hangen.

Daarmee heeft de roman een eloquente verdediging gekregen, maar het is jammer dat Heijne niet terugkomt op zijn persoonlijke twijfel aan de roman: waarom is hij steeds minder romans gaan lezen, en dan nog bij voorkeur 19de-eeuwse? De pijnlijke vraag die hij stelt aan het begin van zijn essay (‘waarom zou ik opnieuw driehonderd, vierhonderd, vijfhonderd bladzijden beslag op mijn gedachten laten leggen, terwijl er zo veel andere dingen mijn aandacht opeisten?’) wordt niet beantwoord. Zo is hij een twijfelaar die de gemeente voorhoudt hoe ze nog kan geloven in literatuur, terwijl zijn eigen geloof wankelende is.