Zweedse dichter Tomas Tranströmer wint Nobelprijs voor de Literatuur

Om één uur vanmiddag is bekend gemaakt dat Tomas Tranströmer de Nobelprijs voor de Literatuur heeft gewonnen. De jury kent hem de prijs toe ‘omdat, dankzij zijn gecondenseerde, doorschijnende beelden, hij ons een frisse toegang tot de realiteit geeft’.

Met Tomas  Tranströmer (Stockholm, 15 april  1931) heeft de Zweedse Academie  niet gekozen voor een dichter die  het zichzelf of de lezer gemakkelijk maakt. Niet omdat hij ingewikkeld schrijft of met moeilijke  begrippen of duistere beelden  werkt, maar omdat hij dicht over  datgene wat er is en over dat wat  ‘daarachter’ is, of daaronder, of  daarnaast. Tranströmers poëzie  beweegt zich tussen twee werelden, die weliswaar met elkaar in  verband staan, maar waarvan de  ene toch goeddeels onzichtbaar en  onbetreedbaar blijft. Het gaat hem  om de glimpen van de andere wereld die opgevangen kunnen worden in deze. In zoiets als ‘het geheime roer in trekvogelzwermen’  bij voorbeeld. Of hij hoort ‘een tremolo van verborgen instrumenten’ die op zou stijgen uit het winterduister. Hij is uit op het betrappen van de dingen die men niet  ziet en niet hoort, maar toch ziet  en toch hoort en waarover dichters  nu eenmaal niet kunnen zwijgen.

Tranströmer is in zekere zin een  archetypische Zweedse schrijver,  namelijk een die zich nogal eens  laat inspireren door de natuur.  Daar wordt, voor wie er gevoelig  voor is, iets zichtbaar van het andere, zonder dat Tranströmer probeert uit te leggen wat dat andere  dan is. Hij toont, hij beschrijft,  maar hij interpeteert de natuurindrukken niet precies. Hij is daarin  verwant met de Nederlandse dichter Chr.J. van Geel, ook een dichter  die door eindeloos naar de natuur  te kijken en op te schrijven wat hij  zag de wereld vulde met betekenis.  Tranströmer schrijft zelfs ergens  dat, wie goed toeluistert, in deze  wereld ‘de bonkende vuisten van  de opgesloten eeuwigheid’ kan  horen. Er is iets, maar het is ‘geheim’, ‘verborgen’.

Het werk van Tomas Tranströmer was al lange tijd in Nederland  bekend dankzij de inspanningen  van de dichter en schrijver J. Bernlef. In 1993 verscheen in zijn vertaling Tranströmers complete oeuvre in het Nederlands, onder de titel Het wilde plein. Al eerder vertaalde hij drie afzonderlijke bundels  van Tranströmer. Bernlef maakte,  zoals hij zelf schreef, in 1979 voor  kennis met het werk van Tranströmer doordat een vriend hem de  bundel Dikter cadeau deed. Bernlef: „Het was alsof ik deze gedichten al eens gelezen had, als in een  déja-vu, alsof zij al ergens in mij  bestonden en het lezen hen naar  buiten bracht. Dit was het begin  van wat je een ‘kannibalistisch  proces’ zou kunnen noemen. Natuurlijk had ik die gedichten zelf  moeten schrijven! Maar Tranströmer had dat al gedaan. Het enige  wat ik aan deze deplorabele toestand kon doen was deze gedichten in het Nederlands vertalen.”

In het door Bernlef vertaalde gedicht ‘Het paar’ (uit de bundel Den  halvfärdiga himlen (‘De halfklare  hemel’, 1962) beschrijft Tranströmer hoe twee geliefden zich in een  hotelbed te slapen leggen:

Zij knippen de lamp uit en de witte  kap

glinstert een ogenblik voordat hij oplost

als een tablet in een glas duisternis.  En dan opstijgt.

De hotelmuren rijzen het hemelduister tegemoet.

[...]Het is donker en stil. Maar de  stad is vannacht

opgerukt. Met gedoofde ramen. De  huizen kwamen.

Heel dichtbij staan zij opeengepakt  te wachten,

een volksmassa met uitdrukkingsloze gezichten.

Tranströmer is behalve dichter  psycholoog en is werkzaam bij het  Zweedse arbeidsbureau. Zijn werk  is over de hele wereld vertaald en  bekroond met diverse nationale en  internationale prijzen. De dichter  was menigmaal te gast op allerlei  poëziefestivals, onder meer op  Poetry International.

Tranströmer is wel een ‘christelijk dichter’ genoemd, onder meer  door zijn collega Lars Gustafsson,  maar op dat etiket is hij zelf niet zo  gesteld. „Religie is een levensdimensie waar je niet zonder kunt”,  zei hij. In zijn werk brengt hij een  hommage aan ‘het grote onbekende waar ik deel van/ uitmaak en  dat zeker belangrijker is dan ikzelf’.