Zonder gevaar geen verleiding

‘Taal is een belangrijk gereedschap van de verleider’ schrijft Arnon Grunberg in een essay over esthetiek, verleiding en overgave. En de behoefte om te verdwijnen.

Dangerous Liaisons (1988) Pers: Glenn Close Dir: Stephen Frears Ref: DAN049EC Photo Credit: [ Warner Bros / The Kobal Collection ] Editorial use only related to cinema, television and personalities. Not for cover use, advertising or fictional works without specific prior agreement The Picture Desk

De magie van woorden berust op wat Freud ‘de almacht der gedachten noemt’, een begrip dat hij heeft overgenomen van een patiënt van hem die aan dwangvoorstellingen leed. Deze geloofde dat zijn gedachten zo veel macht hadden dat zij de werkelijkheid voortdurend wezenlijk beïnvloedden.

Wanneer in Kierkegaards Dagboek van de verleider Cordelia meende dat werkelijkheid zou volgen op de brieven van Johannes, of wanneer de religieuze vrouw die wordt ingepalmd door Valmont in Les liaisons dangereuses denkt dat zijn brieven overtuigender zijn dan haar bedenkingen en de waarschuwingen van anderen, is er sprake van een variant op ‘de almacht der gedachten’: de almacht van het woord. We zijn geneigd te vergeten dat literaire technieken ook buiten de literatuur worden ingezet. En zelfs in een literaire context merk ik dat mensen zich soms niet realiseren dat er sprake is van talige technieken, bijvoorbeeld als een lezer op grond van een roman conclusies trekt over de opvattingen, de diepste verlangens of het geheime leven van de auteur.

Taal is een belangrijk gereedschap van de verleider. Hij maakt gebruik van literaire middelen, maar vaak buiten dat afgeschermde natuurgebied dat literatuur heet. Waar vrijwel alles is toegestaan, maar waar vrijwel niets consequenties heeft.

Feiten kunnen niet liegen. De toegang tot die naakte feiten wordt ons echter dikwijls ontzegd, ook door verleiding, door tovenarij.

Zoals we literatuur buiten het boek vaak niet als zodanig herkennen, zo zijn we eveneens slecht voorbereid op acteerkunsten buiten het theater, terwijl de acteerkunsten van onze medemensen goed ontwikkeld zijn. Telkens weer zijn we geneigd uitlatingen en gedragingen eenduidig te interpreteren. We zijn er niet voldoende op getraind onze interpretaties in twijfel te trekken – een andere levenshouding zou misschien onwenselijk of zelfs ziekelijk zijn: wie overal bedrog ziet, is paranoïde.

Dat wij verbaasd opkijken dat de buurman die ons altijd vriendelijk toeknikte zich ontpopt als seriemoordenaar of dat een man die zo veel liefde tentoonspreidde voor zijn hond een serieverkrachter blijkt te zijn, komt niet alleen omdat wij geen acteerkunst in ons dagelijks leven verwachten aan te treffen, maar daarnaast omdat mede door verhalen, boeken en films wij zijn gaan geloven de slechterik met gemak te kunnen herkennen. Ook de liefde komt in een bepaalde gedaante. Wij hebben een beeld voor ogen en houden er niet van als dat beeld verstoord wordt of afwijkt. Alles dient zich aan te passen aan de voorstellingen die wij van de werkelijkheid hebben.

De wetenschapper maakt zich eveneens een voorstelling van de werkelijkheid, maar vraagt als het goed is niet van die werkelijkheid zich aan te passen aan zijn voorstelling.

Er bestaat verleiding die een minder talige aangelegenheid is.

Albinus, uit Nabokovs roman Een lach in het donker, een belangrijke roman over verleiding, is ‘rijk, gelukkig, en respectabel’, zijn liefde voor zijn vrouw is ‘oprecht en teder’, al is hij met haar getrouwd ‘omdat het toevallig zo uitkwam’, hij is woonachtig in Berlijn en werkzaam als kunstcriticus en schilderijenexpert.

Het is een specialiteit van de expert om net als Johannes uit Het dagboek van de verleider met de werkelijkheid in touw te zijn en die werkelijkheid toch als een gepasseerd station te beschouwen. Een goed voorbeeld van deze speciale variant van expertise die aan de werkelijkheid voorbij is, trof ik aan in een recensie van The Social Animal van David Brooks in The New York Review of Books. De recensent merkt op dat Brooks schrijft dat het wetenschappelijk bewezen is dat mannen graag naar de rondingen van vrouwenborsten kijken, waaraan de recensent toevoegt dat iedereen die daarvoor de wetenschap nodig heeft „vaker naar buiten moet gaan”.

Albinus kan niet wachten om naar buiten te gaan. Hij wordt verliefd op een ouvreuse, de achttienjarige Margot Peters. Zo verliefd dat hij denkt: ‘Als ik haar niet krijgen kan, ga ik dood of word ik gek.’

Margot mist de verfijnde theorieën van Johannes over de liefde, maar ook haar is het om overgave te doen, zij het geen overgave omwille van de overgave, wat haar interesseert is de portemonnee van Albinus.

Ze komt uit een lagere sociale klasse dan Albinus en heeft ondanks haar jeugd al de nodige ervaringen met mannen en bedrog. Deze verleidster beschikt niet over de woordkunst van Johannes, het enige briefje dat zij hem schrijft valt op door een zekere komische vulgariteit: ‘Liefste Albert, het nestje is klaar en je vogeltje wacht op je. Omhels me alleen niet te hard, anders breng je je liefje nog meer het hoofd op hol.’ Hoe vulgair deze tekst ook mag zijn, Margot volgt wel degelijk de methode van Johannes. Ze beweert dat Albinus haar het hoofd op hol heeft gebracht met het doel zíjn hoofd verder op hol te brengen. De rest van haar verleidingskunst is stukken minder talig. Zoals Nabokov schrijft: ‘Alleen al de manier waarop ze haar schouderbladen had samengetrokken en had gespind toen hij voor het eerst haar donzige rug begon te zoenen, had hem doen beseffen dat hij [Albinus, AG] precies zou krijgen wat hij verlangde en wat hij verlangde was niet de kilte der onschuld.’

Schakel mij uit

Uit de beschrijvingen die Nabokov van Albinus geeft, blijkt goed wat overgave eigenlijk is. Wie zich overgeeft aan een ander zegt: ‘Schakel mij uit.’ Zoals je de radio uit kunt schakelen. Albinus is iemand die naar bevrijding van zichzelf snakt, niet zozeer een bevrijding van het besef sterfelijk te zijn, als wel het bevrijd worden van het reflecteren over het eigen zijn. Hij is de expert die weet dat zijn expertise niet zo veel om het lijf heeft – de schilderijen bestaan ook zonder hem – maar die alleen al omwille van de sociale positie die hij bekleedt zichzelf niet kan ontmaskeren. Hij zit gevangen in het beeld dat hij van zichzelf heeft geschapen en dat volledig is geaccepteerd door zijn omgeving.

Pascal merkte op dat de misère en verveling van de mens zo groot zijn dat de mens geen andere mogelijkheid heeft dan te kiezen voor het ‘divertissement’, het vermaak, de verstrooiing. Net als paarden zijn mensen vluchtdieren, maar anders dan paarden vlucht het mensdier niet zozeer voor extern gevaar als wel voor de verveling, een niet te overwinnen gevoel van sudderende wanhoop, een besef van gigantische ontoereikendheid.

Wat Albinus onderneemt, is meer dan een vluchtpoging. Minstens sinds Freud weten wij dat de mens het verlangen kent om volledig te verdwijnen. Telkens weer ensceneert de mens zijn eigen verdwijnen zonder dat daar de uiterste consequentie van de dood aan hoeft te worden verbonden. Hij kan verdwijnen in een ander persoon, in sport, een kunstwerk, wetenschap of een religie. Meestal wachten we niet tot iets ons komt verleiden, we zoeken actief naar een middel waarmee ons symbolische verdwijnen gerealiseerd kan worden. Als Albinus Margot niet had ontmoet was er wel een andere Margot verschenen. Albinus was een rijpe, laaghangende vrucht, die alleen nog moest worden geplukt.

Het is dit verlangen te verdwijnen waarop ook onze economie is gebaseerd. Niets is dwazer dan tegen iemand die op het punt staat verleid te worden te zeggen: ‘Maar wat de verleider je aanbiedt heb je helemaal niet nodig. Dat heb je thuis al. Zelfs mooier en beter.’ Want het gaat niet om wat de verleider aanbiedt, het gaat om de verleiding zelf. De verstrooiing heeft niets met reële en minder reële behoeften te maken, zij bevindt zich aan gene zijde van die behoeften. Of ik een nieuwe tv, auto of huis nodig zou hebben is niet van belang. Het gaat erom dat ik mij heb laten verleiden en dat ik een offer breng, dat ik mijzelf wellicht diep in de schulden steek om een product aan te schaffen. Dat is de ware transactie, ik breng een offer in ruil voor de verleiding of beter gezegd voor het verleid-zijn. Het product zelf is een neveneffect. De ware transacties in de kapitalistische economie vinden dus op een symbolisch niveau plaats. De overgave, dat is waarvoor men betaalt. En precies daardoor is het nooit genoeg en kan het nooit genoeg zijn. De verleiding moet namelijk elke keer opnieuw gestand worden gedaan en als bewijs dat er verleid is, moet er telkens weer een offer worden gebracht.

Albinus begrijpt amper dat hij rijp is voor de overgave, hij valt samen met zijn verlangen. Hij wil Margot, de rest is bijzaak. Wie zich overgeeft, laat een ander toe als gids van zijn fantasie. De verleider brengt je op plaatsen waar je nooit eerder bent geweest of waarvan je je niet kan herinneren dat je er al eerder was. Dat verleiders gevaarlijk zijn, is een pleonasme. Er kan pas sprake zijn van verleidelijkheid bij een vermeend of werkelijk gevaar. Het is daarom nietszeggend als iemand beweert dat Geert Wilders gevaarlijk is. Hooguit zegt men daarmee dat Wilders aantrekkingskracht uitoefent. Albinus begeert Margot niet ondanks het feit dat hij kan weten dat zij gevaarlijk voor hem is, maar juist dankzij. Alleen hij onderschat het gevaar. Albinus denkt zijn symbolische verdwijning te ensceneren, terwijl hij in werkelijkheid zijn eigen graf graaft.

Van kinds af aan krijgen we te horen dat het vergaren van kennis ons in staat zal stellen een veilige, dat wil zeggen begerenswaardige, positie in de maatschappij te bemachtigen. Kortom, kennis wordt utilitaristisch opgevat. Kijk wat het je allemaal oplevert, ga erachter aan en verzamel zoveel ervan als je kunt. Vandaar ook het adagium: kennis is macht. Zelfs als het om literatuur gaat, wordt de waarde van kennis afgemeten aan het praktische nut ervan. P.C. Hooftprijs-winnaar Henk Hofland vertelde mij enkele jaren geleden dat het handig is pakkende citaten uit de wereldliteratuur uit je hoofd te leren omdat je daarmee op feesten goede sier zou kunnen maken bij de meisjes. Als dit een enigszins kokette opmerking is, onthult deze koketterie nog steeds de neiging dat mensen de waarde van literatuur, maar ook van kunst en wetenschap, willen bewijzen door aan te tonen dat het goed voor je is, dat je er beter van wordt.

Albinus had behoorlijk wat kennis verzameld, hij is niet voor niets een expert, misschien niet de meest getalenteerde, maar genoeg ontwikkeld om als zodanig erkend te worden. Het baat hem niet.

Margot verhoudt zich tot haar object als de wetenschapper tot de muizen waarmee hij experimenteert. Albinus is voor haar de zoveelste getrouwde man die ‘een leugenaar, een lafaard en een idioot’ is, waarmee ze hem, zo voegt Nabokov daar tussen haakjes aan toe, aardig typeert.

Hij verlaat vrouw en kind en trekt door Europa met Margot en een vriend van hem, Rex, een kunstenaar, iemand die wordt beschreven als een ‘meester in het tekenen van rariteiten’. Wat Albinus niet doorheeft, is dat deze Rex de minnaar is van Margot, de man van wie zij werkelijk houdt. Wanneer Albinus bij een ongeluk blind wordt, is zijn overgave aan Margot compleet en kunnen zij en Rex het spel met nog meer plezier en finesse spelen.

Dat een verliefde kunstcriticus blind moet worden zou een al te opzichtige metafoor kunnen zijn en vermoedelijk kan de lezer Margot en Rex in morele zin slecht noemen, maar hierom is het Nabokov niet te doen geweest. Zoals Kierkegaard in Dagboek van de verleider Johannes de esthetiek van de verleiding ten einde laat denken, zo denkt Nabokov de overgave ten einde. Overgave maakt blind.

Lulu zegt in het gelijknamige toneelstuk van Wedekind: ‘Machen Sie mit mir, was Sie wollen; wozu bin ich denn da!’ Datzelfde eiste Albinus van Margot. Dit verlangen, dat de ander met ons doet wat hij wil, moet niet onderschat worden. Als de mens een sociaal dier is, dan vooral omdat hij graag door zijn soortgenoten in gebruik wordt genomen.

Ondergang

Margot leidt Albinus en wellicht ook andere mannen naar hun ondergang, maar wij moeten ons de plek waar zij mannen heenleidt voorstellen als een gelukkige plaats. Het is twijfelachtig of Albinus beter af was geweest zonder Margot. ‘Wat een puinhoop is het leven geweest’, laat Nabokov de stervende Albinus zeggen. De lezer weet dat zonder Margot Albinus wellicht nog had geleefd, maar dat de puinhoop die het leven is dan ook stukken minder mooi was geweest. De misvatting van Albinus is dat hij, wanneer hij er eindelijk achter komt welk spel er met hem is gespeeld, wraak wenst te nemen. Dit lukt niet en Margot verdwijnt voor altijd uit zijn leven, een bewijs voor Nabokovs sardonische gevoel voor humor. En voor zijn realiteitszin: niet alle verleiders worden gestraft.

Zowel bij Kierkegaard als bij Nabokov is de macht van schoonheid groter dan die van kennis. Johannes kent het wezen van de liefde maar niet de gevolgen van zijn verleiding. Albinus kent de schilderkunst, nog beter kent hij het sociale spel van de bourgeoisie, hij zit nooit om een bon mot verlegen, maar hij kan liefde niet onderscheiden van bedrog.

Dat de wereld onttoverd is, mag inmiddels een cliché zijn, maar de betovering van verleiders, tovenaars en magiërs en de behoefte eraan zijn nog wijdverspreid. Freud stelde dat de kunstenaar de restanten van het oude magische denken vertegenwoordigt. Volgens hem is de kunst het laatste gebied in onze cultuur waar ‘de almacht der gedachten bewaard is gebleven’. Of dat heden ten dage nog zo is, valt te betwijfelen.

Volgens de socioloog Joop Goudsblom behoort het tot onze opdrachten betoveringen te verbreken, maar maatschappelijk gezien is het niet ongevaarlijk wanneer een voorhoede zich uitsluitend toelegt op het verbreken van betoveringen. Ook doen wij er goed aan Het dagboek van de verleider niet te vergeten. Wat een tovenaar werkelijk tevoorschijn tovert, zijn zijn eigen demonen.

Dit is een bekorte versie van een lezing die Arnon Grunberg onlangs gaf op een symposium over wetenschapsfilosifie in Leiden.