Triëst van Svevo, Triëst van mij

Triëst heeft één gracht en die heet Canal Grande. Niet omdat dat canale groot is, want dat is het niet, maar omdat het groter was dan een ander, inmiddels verdwenen, grachtje.

Groot heten en niet groot zijn, alleen maar groter-dán. Dat is melancholie volgens Italo Svevo, de schrijver die in Triëst zijn eerste stapjes zette en vervolgens de rest van zijn stappen, ook zijn literaire.

Ik houd van Svevo. Ik houd vooral van zijn Bekentenissen van Zeno (1923). Ik houd het meest van het Zeno-hoofdstuk ‘De echtgenote en de maîtresse’. Dat beschrijft de scheppingsdrift van Zeno als echtbreker: onvermoeibaar verzint hij verhalen, in zijn drang om vrouw en vriendin te bedriegen en zichzelf in het zonnetje te zetten als de lieve, trouwe, meelevende en gulle man – die hij helemaal niet is. Ik herlees het hoofdstuk. Ik zíé Zeno, kin in zijn stijve boord, door de smalle straten van Triëst benen tussen zijn vrouw Augusta en zijn minnares Carla, onderweg de nodige visites afleggend bij kennissen en schoonfamilie. En maar kankeren, goddelijk en grappig.

Dat ik in deze warme stad al snel een plattegrond in handen krijg waarop cijfertjes ‘Svevo’s Triëst’ markeren, spreekt zo ongeveer vanzelf. Er zijn 26 Svevo-plekken, verspreid over Triëst. Ik begin middenin, op het Piazza Hortis, bij de bibliotheek uit zijn roman Una Vita.

Op de muur is Italo Svevo afgebeeld. Iemand heeft een sigaretje tussen zijn vingers gegraffitid. Terecht, hoe kon de muurschilder die nou vergeten? De laatste sigaret dat is de lekkerste sigaret, elke keer weer – Svevo rookte er vele en wijdde er spectaculaire zinnen aan, ook in zijn brieven. Op 24 mei 1899 schrijft hij zijn vrouw: „... ik houd met roken op, dus noteer: 23-5-99, 4 uur n.m. Jij hebt als ik me niet vergis nog een sigaret van mij. Noteer daar de datum op. Ik zal hem vandaag over een jaar oproken.” (vert. Yolanda Bloemen).

Ik kijk rond. Lief plantsoen. Er is een stal met namaak-Louis Vuitton. Een terrasje. Een duif gaat aan de haal met een koekje. Er landen meer duiven. Nog meer. Veel. Ik vergeet Svevo even, want ik denk aan Hitchcock. The Birds. Toen ik die film voor het eerst had gezien, schrok ik me buiten wild van een dalende duif.

Ik loop van plaats naar plaats, de nummers vink ik af. Het is een aangename manier om Triëst te leren kennen, maar waar is Svevo?

Op het station geen spoor van de wang die aanstaande schoonzus Ada Zeno toekeerde voor een ‘broederlijke kus’, terwijl hij brandde van verlangen om haar te verpletteren met kussen op haar mond. Ada en haar wang zijn onvergetelijk, maar dit specifieke station doet er net zo min toe als de complete route die Zeno zijn opstandige minnares voorspiegelt hand in hand met haar af te zullen lopen, „opdat de hele stad ons ziet”.

Straten, pleinen, plekken. Svevo noemde ze bij naam. Maar waar ik ook ga, hij is er niet. Zijn Triëst zit in zijn personages, in hun koortsachtige spleen. Wil ik dat meemaken, dan moet ik hem lezen.

En mijn Triëst? Dat vind ik in Museo Sartorio. Een museum in een gele stadsvilla achter een hek. ’s Morgens open, ’s middags dicht. Een mevrouw, de suppoost, vraagt of ik de tekeningen van Giambattista Tiepolo wil zien? Het zijn er 254. Wel ja, waarom niet.

Ze ontsluit twee deuren, wijst op een dubbele ladenkast en laat me alleen. Ik schuif la na la open, vergeet de tijd en laat me afschieten naar een universum in zachte inkt- en potloodlijnen uit de achttiende eeuw. Ik lach; ik word warm; ik leef mee; ik schiet vol bij de schets van een huilende page. Een jongen van een jaar of twaalf, van hoofd tot en met spillebenen afgebeeld. Zijn jonge lijf is in verzet, want hij wil stoer zijn. En dat lukt hem niet.

Ik ga op mijn knieën voor de middelste laden en lig ten slotte languit op het parket bij de onderste laden. Voor Tiepolo.