Steve Jobs een natuurtalent? Welnee, hij had gewoon wat geluk

Steve Jobs op de Macworld Expo van 16 februari 2000. Foto Reuters / Eriko Sugita

Geniaal, magisch, uniek. In de media wordt geen superlatief geschuwd om de grootsheid van de gisteren overleden Apple-oprichter Steve Jobs te cultiveren. Wederom laat de wereld zien dat ze niets van succes begrijpt.

Alle necrologieën ademen eenzelfde bewondering: dit was een selfmade man, iemand uit een arbeidersgezin wiens talent te volumineus voor het collegebankje was. Karakter, intelligentie, levensstijl: hierin zou Jobs recept, of algoritme, verscholen liggen. Niet te evenaren, want genetisch bepaald. Een code die hem een mythisch aanzien verschafte.

Onzin, allemaal gebakken lucht, respectvolle doch zinloze bladvulling. Weliswaar heeft Jobs de industrie op zijn kop gezet, ons tot grotere technologische hoogten gebracht, maar dat is meer een verdienste van zijn omgeving dan van hemzelf. Althans, dat is de uitkomst van een studie van Malcolm Gladwell. De wetenschapsjournalist onderzocht minutieus de levensverhalen van de 75 rijkste mensen ooit. Evenals die van de grootste kunstenaars en sporters, zoals Amadeus Mozart en Michael Jordan.

Er zit een patroon in, ontdekte Gladwell toen hij wat afstand nam van zijn tabellen. Een patroon dat minder magisch is dan we denken. Niet de uitzonderlijke talenten, maar de meevallers en de milieus bleken de gemene deler. Steve Jobs en Microsoft-oprichter Bill Gates haalt hij aan als exemplarische voorbeelden in het boek Outliers: The Story of Success (Little, Brown and Company, november 2008).

Genetisch voordeel inferieur aan maatschappelijk milieu

Gladwell maakt zijn punt het meest helder in een paragraaf over de ecologie van het organisme. “De hoogste eik in het bos is niet alleen het hoogst omdat hij uit de sterkste eikel is gegroeid. De eik is ook het hoogst omdat er geen andere bomen waren die zijn zonlicht blokkeerden, omdat de bodem eromheen diep en vruchtbaar was, omdat er geen konijn aan zijn schors knabbelde toen hij nog een jong boompje was, en omdat hij niet door een houthakker is omgehakt voordat hij volwassen werd.”

De onderzoeksjournalist wil hiermee zeggen dat succesvolle mensen weliswaar uit krachtig zaad voortkomen, maar dat hun genetische voordeel inferieur was aan maatschappelijke opstekers. Waar het echt om gaat is dit: het zonlicht dat hen verwarmde, de grond waarin ze hun wortels plantten en de konijnen en de houthakkers die hen met rust gelaten hebben. “Dit is geen verhaal over hoge bomen. Dit is een verhaal over bossen.”

Het gaat dus om het bos. Het bos waarin Steve Jobs en Bill Gates tot grote hoogte konden stijgen. Gladwell gidst ons eerst door het bos waarin de Microsoft-topman opgroeide. Toen Bill in de tweede klas zat kocht zijn school, het particuliere Lakeside, de zogenaamde ASR-33 Teletype. Een timesharingterminal die een directe verbinding had met een mainframecomputer in de binnenstad van Seattle. “Bill Gates kon gaan programmeren in de tweede klas van de middelbare school in 1968! Vanaf dat moment woonde Gates in de computerruimte”, schrijft Gladwell.

Het was geen gewone computer, maar het nieuwste van het nieuwste: één die zonder het tijdrovende ponskaartensysteem werkte, waarmee computerwetenschappers in die tijd zelfs nog mee in de weer waren. Gates: “Het was een obsessie voor me. Het kwam maar zelden voor dat we in een week minder dan twintig of dertig uur bezig waren.”

Hij groeide op in de branche waar hij later zou heersen

Steve Jobs woonde in een soortgelijk bos. Hij groeide op in Mountain View Calfornia, even ten zuiden van San Francisco, in het epicentrum van Silicon Valley, het industriegebied waar bedrijven als Hewlett-Packard en Intel het licht zagen. Jobs was een knutselaar en struinde alle elektronicabeurzen af op zoek naar onderdelen.

Om gratis aan onderdelen te komen belde hij iemand in de buurt, Bill Hewlett, oprichter van Hewlett-Packard. “Jobs kreeg niet alleen de gevraagde onderdelen, maar hij wist ook een vakantiebaan los te peuteren. Jobs werkte bij een assemblagelijn voor het bouwen van computers en hij was zo gefascineerd dat hij er zelf één probeerde te bouwen.” In de woorden van Gladwell: “Jobs groeide in de branche op waar hij later zou heersen.”

Als tieners waren Jobs en Gates dus niet alleen slim en creatief, ze hadden ook de beschikking over de beste doeken, pencelen en verfsoorten. Daarbij wandelden ze tussen mensen die het al gemaakt hadden. Vergelijk het met iemand die leuke kleertjes kan ontwerpen, zegt Gladwell. Het helpt dan enorm als je buurman Giorgio Armani is en af en toe wat zijden komt brengen in plaats van rommelmarkttroep.

Wees jong als de revolutie uitbreekt

Natuurlijk zijn er ook tal van tycoons die niet in het perfecte bos opgroeiden. Maar het gaat Gladwell om de patronen. Om die te ontdekken heeft hij de Forbes-lijst van de 75 rijkste personen ooit bestudeerd. In de lijst, die aangevoerd wordt door grootindustrieel John D. Rockefeller (1839 - 1937), ontdekte hij dat 14 van de 75 rijksten allen Amerikaan zijn die binnen negen jaar van elkaar zijn geboren in het midden van de negentiende eeuw.

Toeval? Allerminst, betoogt Gladwell. “In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw maakte de Amerikaanse economie misschien wel de grootste metamorfose van haar geschiedenis door. Het was de tijd waarin de spoorwegen werden aangelegd en Wall Street in opkomst was. Het was de tijd waarin de industriële fabricage pas goed begon. Het was de tijd waarin alle regels van de traditionele economie, werden gebroken en opnieuw bepaald.” Als je echt wilde profiteren van die condities moest je begin twintig zijn ten tijde van de metamorfose. “Je moest geboren zijn tussen 1831 en 1839.”

Terug naar Steve Jobs (24 februari 1955) en Bill Gates (28 oktober 1955). Zij waren begin twintig toen de Altair 8800, de eerste minicomputer ter wereld, in januari 1975 op de markt kwam. Dat moment wordt aangemerkt als de belangrijkste datum in de geschiedenis van de pc-revolutie. “Als januari 1975 de dageraad van het pc-tijdperk was, wie zou dan in de beste positie zijn om daar zijn voordeel mee te doen? Hier gelden dezelfde principes als in de tijd van John Rockefeller. Allereerst zou je natuurlijk niet te oud moeten zijn aan het begin van de revolutie. Alleen de jongeren hebben de vrijheid en het lef om een nieuw paradigma te omarmen”, zo duidt Gladwell de overeenkomst. Ook Bill Joy mag hier niet onvermeld blijven. Deze oprichter van Sun Microsystems, geboren op 8 november 1954, wordt wel de Edison van internet genoemd. “Als hij wat ouder was geweest, zou het venstertje dat hem de kans gaf om een ondersteunende code voor internet te schrijven intussen gesloten zijn.”

Niet iedere softwaretycoon werd in Silicon Valley geboren in 1955, geeft Gladwell toe. “Sommigen werden dat niet, net zomin als elke zakenreus in de Verenigde Staten in het midden van de jaren dertig van de negentiende eeuw werd geboren. Maar hier zijn heel duidelijk patronen waar te nemen, en het opvallende is dat we daar zo weinig over lijken te willen praten. We doen alsof succes een kwestie is van individuele verdienste, maar uit niets in de verhalen die we tot nu toe hebben gezien blijkt dat de zaken zo eenvoudig zouden liggen.”

Meevallers bij uitblinkers zijn geen uitzondering, maar regel

Alle uitblinkers profiteerden volgens Gladwell van de één of andere ongewone kans. “Het lijkt erop dat meevallers bij softwaremiljardairs, rockbands en topatleten geen uitzondering zijn, maar regel.” Zij werden volwassen in een tijd waarin een extra inspanning werd beloond door de rest van de maatschappij.

Datgene wat wij als talent zien is volgens Gladwell in werkelijkheid een ingewikkelde combinatie van aanleg, kansen en een volkomen willekeurig voordeel. Gladwell betoogt eigenlijk dat Mozart, Jobs, Gates en Rockefeller hun successen niet zozeer zelf gecreëerd hebben, maar dat hun succes vooral een product was van de wereld waarin zij opgroeiden. “Er zat een logica achter”, zo richt Gladwell zich op bladzijde 76 tot zijn lezers. “Bedenk eens welke aanlokkelijke mogelijkheden zich zouden voordoen als we die logica begrepen.”

En nu de echte bewijzen

Klinkt allemaal plausibel, zult u denken. Maar waar is het echte bewijs dat het bos de boom maakt? Dat geeft Gladwell op pagina 27, een tabel waarin alle A-spelers van het Canadese ijshockeyteam Medicine Hat Tigers zijn opgenomen: naam, veldpositie, links- / rechtshandig, lengte, gewicht, geboortedatum, geboorteplaats.

Wat valt er op, vraagt Gladwell. Velen zullen opmerken dat de geboortejaren dicht bij elkaar liggen. Ook gewicht en lengte schommelen niet al te veel. Maar dat zijn niet de gemene delers voor succes, verklapt Gladwell. Dat is de geboortemaand. Zeventien van de vijfentwintig spelers in het team zijn geboren in januari, februari, maart of april. Waarvan acht in januari. Een patroon dat zich voordoet bij alle Canadese ijshockeyspelers in het topklassement.

Gladwell gaat hier zweven, zal de lezer denken. Hij gaat over sterrenbeelden mijmeren, de fopwetenschap die astrologie heet. Maar niets is minder waar. De reden, de gemene deler van het succes, is simpelweg dat 1 januari de sluitingsdatum is voor de verkiezingen van leeftijdsklassen bij het Canadese hockey.

Dat betekent dat een kind voor de divisie van negenjarigen kan worden gekozen als hij op 1 januari negen jaar oud is. Het is dus mogelijk dat een jongen die tien wordt op 2 januari naast iemand speelt die pas in december tien wordt; en op die leeftijd, vóór de puberteit, betekent een leeftijdsverschil van twaalf maanden een enorm verschil in fysieke rijpheid. Gladwell onderzocht ook het Britse voetbal, waar de grensdatum voor de selectie op 1 september is vastgepind. Een grote meerderheid van de toppers bleek tussen september en november geboren te zijn.

En wat gebeurt er als een speler wordt gekozen voor zo’n topploeg? Gladwell: “Hij krijgt een betere coaching, zijn teamgenoten zijn beter en hij speelt vijftig of vijfenzeventig wedstrijden per seizoen in plaats van twintig, zoals degenen in de house league, en hij oefent twee of zelfs drie keer vaker dan hij anders had gedaan. Als hij in het begin nog niet inherent beter was, maar alleen wat ouder, zal hij rond zijn dertiende of veertiende, met het voordeel van betere coaching en al die extra oefening achter de rug, werkelijk beter zijn, en daarom meer kans hebben om te worden gekozen voor de Canadian Hockey League, en van daaruit voor de hoogste divisies.”

Oefenen, oefenen, oefenen. Want oefening baart kunst

Het kleine detail van de vroege selectie werkt dus groots uit: het geeft tijd, tijd om te oefenen met de beste instrumenten, onder de beste omstandigheden. Om precies te zijn: tienduizend uur in tien jaar tijd.

Talenten hebben hun ‘Hamburg’ nodig, schrijft Gladwell. Daarmee doelt hij op de periode van de Beatles voordat zij als band doorbraken. “In 1960, toen ze nog maar een worstelende middelbare-schoolrockband waren, werden ze uitgenodigd om in Hamburg in Duitsland te spelen”, weet Gladwell. “Er was een bepaalde clubeigenaar die oorspronkelijk kermisbaas was. Hij vatte het plan op om rockgroepen in verschillende clubs te laten spelen. Ze hadden een formule. Het was een enorme non-stopshow. De bands moesten aldoor blijven spelen om het voorkomende verkeer vast te houden.”

In Liverpool hadden de Beatles nooit sessies van langer dan een uur gedaan en speelden ze bij elke gelegenheid alleen maar hun beste nummer, zoals zoveel bands doen. “Maar in Hamburg”, zo vertelde John Lennon in een interview, “speelden we acht uur aaneen. We moesten echt een nieuwe manier van spelen zien te vinden.”

Alles bij elkaar traden ze 270 avonden op in net iets meer dan anderhalf jaar. Tegen de tijd dat ze in 1964 hun eerste uitbarsting van succes hadden, hadden ze ongeveer 1200 keer live opgetreden. Dat is meer dan de meeste bands van tegenwoordig in hun hele carrière doen. “Het is de vuurproef die de Beatles van de anderen onderscheidde”, aldus Gladwell.

Doe waar je zelf zin in hebt

Als er één iemand is die zijn ‘Hamburg’ heeft gehad, dan is het wel Steve Jobs. Een speech die hij in 2005 op een afstudeerplechtigheid van Stanford University gaf, onthult de geheimen van zijn jongvolwassen leven. Hij studeerde zes maanden aan Reed College, een prestigieuze universiteit voor de kunsten. Daarna gaf hij er de brui aan, maar bezocht nog wel colleges: alleen de colleges die hem interesseerden, zoals kalligrafie waarin Reed College toonaangevend was. Later zou hij die kennis verwerken in de typografie van de legendarische Macintosh-computer.

Dat hij überhaupt aan Reed College kon studeren had te maken met een bijzonder contract. Jobs biologische moeder stelde aan de adoptieouders, arbeiders met een laag inkomen, de eis dat haar zoon ooit zou gaan studeren. Vervolgens deed Jobs op Reed College gewoon waar hij zelf zin in had: hij stak alleen tijd in studie die hij nuttig achtte om vervolgens op zolder computers in elkaar te knutselen.

Jobs had niet alleen het geluk dat hij in het juiste bos verkeerde, maar ook dat hij al vroeg wist wat hij wilde. “Je werk beheerst een groot deel van je leven”, zei hij tegen de zojuist afgestudeerden op Stanford. “En de enige manier om tevreden te worden is door te geloven dat wat je doet groots is. En de enige manier om groots werk te doen is om te houden van wat je doet. Als je het nog niet gevonden hebt, blijf dan zoeken.”

Leef elke dag alsof het je laatste is

De ironie wil dat Jobs niet zei wat hij werkelijk dacht: als je het nu nog niet gevonden hebt, dan ben je te laat om mij ooit nog in te halen. Eigenlijk lachte hij al die brave afstuderende studenten in hun gezicht uit. Want die tienduizend uur in tien jaar had Jobs al te pakken toen hij eerstejaars was. Tegelijkertijd had hij een bewonderenswaardige levensfilosofie. “Toen ik 17 was las ik iets wat hierop neerkwam: ‘Als je elke dag leeft alsof het je laatste is, dan heb je op een dag gelijk.’ Dat maakte indruk op me, en sindsdien keek ik dagelijks in de spiegel en vroeg me af: ‘Als vandaag de laatste dag is, zou ik dan willen doen wat ik nu doe?’ Als het antwoord ‘nee’ was, dan wist ik dat ik iets moest veranderen.”

Deze fatalistische inslag had Jobs dus al decennia voordat hij ziek werd. “Dood is de beste uitvinding van het leven”, vindt hij. Het dwingt je tot de juiste keuze, zorgt dat je geen tijd verdoet.

Jobs mag dan misschien in het perfecte bos geboren zijn, maar zijn antenne voor kansen en beslissingsmomenten is een eigenschap. Een karakter dat hem net zo goed tot de top bracht. Aan kanker stierf hij, maar keuzestress was hem vreemd. Hij ging recht op zijn doel af met een voorsprong die hem door maatschappelijk toeval gegeven is.

Het bos maakte van Jobs een hoge boom. ‘Door de bomen het bos niet meer zien’, is dus niet alleen een gezegde, maar ook een wetenschappelijke waarheid. Zeker als het om hoge bomen gaat. Iets dat Jobs dondersgoed wist: hoe meer we tegen hem opkeken, hoe meer Macs, iPhones en iPads we kochten. Van een beetje mediastrategie was zijn Apple niet vies. Maar wat Jobs echt tot de absolute top deed rijzen was zijn bewustzijn: de informatierevolutionair had door hoe bijzonder zijn bos was.

Eerder in deze serie:
Autobiografie toont Julian Assange als paranoïde doch nuttige nerd
Profiel Arianna Huffington: van angsthaas tot sociale wervelstorm
Het tijdperk van de man loopt af. Vrees voor de sardonische bazin
Ruil je freelancer in voor een Filippijn. Tarief: 1 euro per uur
Zwakke leerling niet gebaat bij talentenjacht
Goede docent is jaarlijks 400.000 dollar waard
In het rijk van genot houdt deugd onmogelijk stand
Communisme, Kapitalisme, Kannibalisme
Wanneer de baas een beest wordt
Opleiding leiderschap bestaat niet
Arbeidsethos Nederlandse vrouw onder vuur
Doodongelukkig in Mickey Mouse-pak
Supersize werving. McDonald’s zoekt 50.000 werknemers
Het Innovatieplatform: porren in de polderklei
Duitse minister: vrouwen komen niet hogerop omdat ze pretstudies volgen
Ouders komen tijd te kort. Houd kinderen daarom tot 17.00 uur op school
Er is werk zat. Maar workaholics slokken arbeidsplaatsen op
Internetgeneratie ondermijnt traditionele bedrijfscultuur
Mokkend personeel? Leer ‘mennen voor mensen’
Psychologie en marketing, een duivelse combinatie
Eigen mening? Pas op voor de baas
De maakbare markt
Zó krijg je iets gedaan
J. Kessels The Novel is een aanklacht tegen het kantoorleven
Waarom we taken uitstellen
Ook de manager is slachtoffer
Pas op met organisatiefuncties: niet mengen!