Spanje herontdekt familieals pijler sociale zekerheid

In Spanje zijn komende maand verkiezingen. Tradi- tioneel kunnen de socialisten rekenen op steun van de vak- beweging. Maar de hoge werkloosheid heeft hen uit elkaar gedreven. In verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt hebben oudere noch jongere werknemers fiducie.

Workers and union members hold a banner as they march during a demonstration in the Andalusian capital of Seville October 1, 2011, to demand for decent employment rights in the civil service. The banner reads: "No social cuts". REUTERS/Marcelo del Pozo (SPAIN - Tags: BUSINESS EMPLOYMENT CIVIL UNREST) REUTERS

De meeste bezoekers van het jaarfeest van de Noord-Spaanse mijnwerkersvakbond zijn de pensioengerechtigde leeftijd al gepasseerd, of zitten er dicht tegenaan. Bij aankomst op het festivalterrein in Rodiezmo, een gehucht in de bergen van León, vleien ze zich meteen neer op kleedjes om zich de rest van de dag niet meer te verroeren. Ze eten meegebrachte broodjes chorizo uit de koelbox en drinken wijn of cider. Al tijdens de ronkende toespraken van een stoet vakbondsvoormannen dommelen sommige feestgangers weg.

De gezapige feeststemming slaat om als op het podium De Internationale wordt ingezet. De duizenden festivalgangers gaan staan, rechten de rug, steken een vuist in de lucht en zingen de eerste coupletten uit volle borst mee. „De Internationale blijven we zingen”, zegt een oudere man leunend op zijn stok. „Hoeveel er ook op onze regering en de vakbond valt aan te merken.”

Zijn klacht klinkt veel breder onder linkse Spanjaarden. Bij de komende parlementsverkiezingen van 20 november lijken de socialisten weggevaagd te zullen worden door de rechtse oppositie. Het linkse deel van het electoraat is ontevreden over de diepe crisis en de aanpak door de socialistische premier José Luis Rodríguez Zapatero.

Onder druk van de financiële markten en Europa zag Zapatero zich de afgelopen anderhalf jaar gedwongen een reeks noodmaatregelen door te voeren. De vakbeweging, een traditionele bondgenoot, keerde zich hier vaak fel tegen. De vakbeweging probeerde de regering af te remmen of bij te sturen. Maar Zapatero trof de maatregelen uiteindelijk toch – zij het dat ze vaak te laat kwamen of niet ver genoeg gingen.

Protestmarsen van Spaanse vakbonden halen regelmatig de buitenlandse media, als illustratie van de toenemende sociale onrust. Maar wie vertegenwoordigen de bonden eigenlijk. En welke rol spelen ze bij het oplossen van de crisis?

De verwijdering tussen regering en vakbeweging wordt op Rodiezmo vooral duidelijk door de afwezigheid van Zapatero. De premier groeide op in deze streek en kent het feest goed. De banden tussen zijn regeringspartij PSOE en socialistische vakbond UGT, dat het feest elke eerste zondag van september organiseert, zijn traditioneel hecht.

Tot 2009 gaf Zapatero elk jaar acte de présence in Rodiezmo. Dan bond bij, vergezeld van enkele ministers bond, ook steevast een rood sjaaltje om, hield hij een vlammende toespraak, zong hij ‘De Internationale’ mee. En zei hij dat hij als premier zijn UGT-lidmaatschapskaart nog altijd op zijn nachtkastje had liggen.

Zomer 2010 moest Zapatero echter voor het eerst afzeggen. Dat voorjaar had de eurocrisis hem tot een abrupte politieke koerswijziging gedwongen. Onder grote druk van Europa verlaagde hij ambtenarensalarissen, bevroor hij pensioenen en sneed hij in sociale stokpaardjes als de cheque bebé (geboortepremie). Toen dit niet genoeg bleek, kondigde hij een versoepeling van het ontslagrecht aan. Het leidde ertoe dat de vakbonden hun eerste algemene staking tegen Zapatero uitriepen.

Dit jaar is op Rodiezmo zelfs geen enkel lid van het kabinet aanwezig. De vakbondsvoormannen die vandaag spreken, bekritiseren Zapatero’s beleid fel. Al diens ingrepen, stellen zij, hebben de economische problemen van Spanje niet opgelost. Integendeel. „De regering loopt alleen maar dieper in de val van de markten”, stelt er een.

Ze praten ook openlijk over het dilemma dat dreigt, nu rechts de komende landelijke verkiezingen ruim lijkt te gaan winnen. Moet de vakbeweging haar verzet tegen de ‘rechtse’ crisisaanpak van de regering-Zapatero nog wel volhouden? Of moet ze juist helpen de linkse kiezer te mobiliseren in een poging die bijna onvermijdelijke machtsgreep van rechts te verhinderen?

„We moeten de socialistische familie weer verenigen. Dat kan alleen als de PSOE uit haar neoliberale verdwazing ontwaakt”, meent de vakbondsvoorman van de provincie León. Hij krijgt er een luid applaus voor.

UGT-voorman Cándido Méndez heeft het moeilijker. Hij probeert het publiek uit te leggen waarom zijn vakcentrale akkoord ging met verhoging van de pensioenleeftijd, van 65 naar 67 jaar. „Om gesprekspartner te blijven hebben we de bereidheid getoond compromissen te sluiten. Deze hervorming was nodig om het systeem betaalbaar te houden”, stelt hij, waarna uit het publiek gefluit opstijgt.

Tegen verdere ‘hervorming’ van de arbeidsmarkt zal de UGT zich blijven verzetten, belooft Méndez. „De regering beweerde dat die hervorming de financiële markten zou kalmeren. Maar de werkloosheid is alleen maar toegenomen. Terwijl de markten Spanje blijven aanvallen.”

Een belangrijke oorzaak dat de Spaanse werkloosheid is explosief is gestegen (tot boven de 20 procent), is de grote kloof tussen vaste en tijdelijke werknemers. De eersten zijn duur en zeer lastig te ontslaan. Hun bijna onaantastbare positie maakt dat veel werkgevers huiverig om nog vaste dienstverbanden af te sluiten. Zij doen liever een beroep op tijdelijke krachten. Die kunnen ze snel laten rouleren en gemakkelijk en goedkoop ontslaan.

Deze ‘dualiteit’ tussen insiders en outsiders leidde er toe dat Spanje bij het uitbreken van de crisis de Europees kampioen tijdelijk werk was. Een derde van de beroepsbevolking had geen vast dienstverband, met name jongeren en migranten. Zij zijn sindsdien massaal op straat gezet. Onder de 25 jaar heeft nu 46 procent geen baan. Het tekent hoe de flexibilisering van de arbeidsmarkt vooral voor jongeren desastreus uitpakt – in ieder geval zolang vaste werknemers overbeschermd blijven. Om de kloof te dichten, verlaagde de regering vorig jaar de ontslagvergoeding van vaste contractanten. Zeer tegen de wil van de vakbeweging.

„Op papier leek die arbeidsmarkthervorming uit 2010 aanvankelijk grote veranderingen te bevatten. Maar er zijn allerlei elementen en ontsnappingsroutes in opgenomen die zand in de machine gooien”, zegt Marcel Jansen, een Nederlandse arbeidseconoom die doceert aan de Vrij Universiteit in Madrid en het Spaanse werkgelegenheidsbeleid op de voet volgt. „De hervorming is nu met zoveel juridische en politieke onzekerheid omgegeven dat ze, in combinatie met de aanhoudende crisis, niet tot banengroei leidt.”

In 2009, aan het begin van de crisis, raadden Jansen en twee Spaanse collega’s de regering aan niet te veel naar de vakbeweging te luisteren. De regering, schreven ze, doet er goed aan bij een arbeidsmarkthervorming óók aan de belangen van de outsiders te denken. Niet alleen uit economisch, maar ook uit electoraal oogpunt.

Onder de outsiders, betoogden de drie economen, zijn veel kiezers (jongeren, studenten, zelfstandigen zonder personeel) die geneigd zijn op de socialisten te stemmen. Door uiteindelijk te kiezen voor een halfslachtige arbeidsmarkthervorming, sloeg de regering dit advies in de wind, meent Jansen.

Regering en vakbeweging kozen er voor de belangen van het gemiddelde vakbondslid te verdedigen. In Spanje is dit doorgaans een blanke man, van boven de 40 jaar en veelal werkzaam bij de overheid of in de industrie.

Manolo García – die vuilnisman werd nadat de kolenmijn waar hij werkte, sloot – is zo’n doorsnee vakbondslid. In Rodiezmo staat hij in het publiek met een enigszins sceptische blik naar de toespraken te luisteren. De bonden, vindt hij, hadden nooit moeten instemmen met verhoging van pensioenleeftijd. Vijftiger García zal nu langer moeten doorwerken. „Uitgerekend in crisistijd worden we gewoon uitgeleverd.”

García verwoordt een gerucht dat ook in politiek-Madrid rondzingt. Ondanks alle openlijke animositeit zouden regering en vakbeweging achter de schermen een pact hebben gesloten. De bonden zouden de verhoging van de pensioenleeftijd niet blokkeren, in ruil waarvoor de regering ingrepen in het arbeidsbestel zou afzwakken.

Toeval of niet: in oktober 2010 benoemde Zapatero een nieuwe minister van Werkgelegenheid, die enkele weken eerder als UGT-lid nog had meegelopen in de algemene staking tegen de regering.

Dat bonden vooral de belangen van de insiders behartigen, is niet vreemd. Een vakbondsleider die bij de volgende interne bondsverkiezingen herkozen wil worden, kan niet anders: de insiders vormen zijn electoraat.

Voor de socialistische partij is het speelveld aan de vooravond van de verkiezingen van volgende maand ingewikkelder. Dat Zapatero in 2004 premier werd, was grotendeels te danken aan de onverwacht hoge opkomst onder jonge, linkse kiezers. Zij zijn door de crisis nu massaal werkloos geworden en gedesillusioneerd geraakt in de socialistische partij. Niet omdat die te veel naar de vakbonden zou luisteren, maar omdat zij te ver naar rechts zou zijn opgeschoven.

David Barroso (20) is een potentiële, jonge PSOE-kiezer. Met een vriend die ook lid is van de Jonge Socialisten is hij naar het festival in Rodiezmo gekomen. Beiden beamen dat de hoge jeugdwerkloosheid aantoont dat de arbeidsmarkt nu niet goed werkt. Maar ze zijn geen onverdeeld voorstander van flexibilisering van vaste contracten. „Dat zou het voor ons jongeren makkelijker moeten maken een baan te krijgen”, zegt Barroso. „Maar het is een zwaard dat aan twee kanten snijdt. Het vergroot het risico dat mijn ouders straks zonder baan zitten. En wat dan?”

Het is een geluid dat veel kan worden opgetekend. Het meest luidruchtige en massale protest tegen de crisis in Spanje komt momenteel van linkse jongeren. Hun antikapitalistische ‘15 Mei Beweging’ neemt uitdrukkelijk afstand van de gevestigde orde van politieke partijen en vakbonden. Elke bezuiniging of hervorming wijzen ze af als een knieval voor het „failliete kapitalistische systeem” dat Europa in deze crisis zou hebben gestort.

Hun radicale afkeer van marktwerking komt niet alléén voort uit linkse ideologie. Nu de crisis al drie jaar aanhoudt, groeit breder in de samenleving de behoudzucht. Evenals in Zuid-Europese landen is het Spaanse sociale model er op gebaseerd dat oudere leden van een familie op de arbeidsmarkt veel zekerheid genieten. Jongeren daarentegen moeten zich tot ver in de dertig behelpen met slecht betaalde, tijdelijke baantjes. En als ze deze veredelde stages kwijtraken, zijn de uitkeringen relatief sober. Hier staat tegenover dat de familie altijd klaarstaat als sociaal vangnet.

Economen of internationale instellingen als het IMF kunnen wel zeggen dat arbeidsmarkthervormingen in hun voordeel zijn, jongeren verkiezen de directe zekerheid van de familie.

Arbeidseconoom Marcel Jansen: „De jongeren hebben baat bij een hervorming die hun ouders niet willen. Wij economen hebben hen hier niet van kunnen overtuigen. In een crisis wordt de horizon van mensen beperkter. De huidige crisis heeft de jongeren het kamp van de ouders ingejaagd.”