Rotterdamse musea verzetten de bakens

De gevolgen van de bezuinigingen op cultuur worden tastbaar in Rotterdam. Twee musea met eeuwenoude traditie onderzoeken een fusie.

Rotterdam, 03-10-2011. Exterieur Maritiem Museum te Rotterdam. Foto: Leo van Velzen NrcHb.

Het verschil tussen de twee gebouwen had niet groter kunnen zijn. Het Schielandshuis, waar Museum Rotterdam zit, dateert uit de zeventiende eeuw en heeft een voorgevel versierd met beeldhouwwerk, smeedijzer en Griekse zuilen. Even verderop staat het Maritiem Museum, een streng geometrisch gebouw met binnen stalen trappen die verwijzen naar de scheepvaart. Het werd begin jaren tachtig ontworpen door Wim Quist en kreeg vorig jaar een nieuwe entreehal, met veel oranje: een verwijzing naar de in de scheepvaart veel gebruikte menie.

Ook de twee directeuren zijn verschillende types. Aan het hoofd van het Maritiem Museum staat Frits Loomeijer (58), maritiem historicus met het uiterlijk van een zeeman, gekleed in spijkerbroek en hemdsmouwen. Hij werkte hiervoor onder meer als conservator scheepsbouw bij het Scheepvaartmuseum Amsterdam.

Bij Museum Rotterdam staat Hans Walgenbach (66) aan het roer. Hij was eerder beeldend kunstenaar, daarna twintig jaar directeur van het Centrum Beeldende Kunst Rotterdam. Hij draagt een jasje en overhemd.

Ondanks die uiterlijke verschillen onderzoeken de twee musea een fusie. Niet vrijwillig, maar op instigatie van de gemeente, die fors bezuinigt. Nu trekt de stad nog jaarlijks 90 miljoen uit voor cultuur, dat wordt 14 miljoen minder in 2013. Waar de klappen vallen, wordt volgend jaar bekend. Het Maritiem Museum en Museum Rotterdam, die nu respectievelijk 4,8 en 5,6 miljoen subsidie per jaar krijgen, verwachten een korting van 20 tot 25 procent. Bovendien liet wethouder Antoinette Laan (Cultuur, VVD) vorige maand weten dat ze een gezamenlijke aanvraag moeten indienen, met als uitgangspunt ‘het verhaal van de stad’.

De directeuren voelen zich overvallen. Een bezuiniging hadden ze verwacht, niet dat ze op één hoop gegooid zouden worden. Natuurlijk, niet zo lang geleden was er het plan voor een Stadsmuseum, waarin verschillende stadsmusea zouden opgaan. En Antwerpen ging nog een stap verder met het Museum aan de Stroom, met ook een maritiem deel. Dat werd in mei geopend en trok al 500.000 bezoekers. Maar het verschil is, dat er in Antwerpen geld was. Een fusie die zo snel tot stand moet komen en tot doel heeft te besparen, kan weinig goeds brengen, vrezen de directeuren. Maar ze willen het niet bij voorbaat afwijzen, daarom bekijken externe onderzoekers of fuseren de beste optie is. Daarbij worden ook het Havenmuseum en het Oorlogs- en Verzetsmuseum betrokken.

De twee musea hebben een lange geschiedenis. Het Maritiem Museum (133.123 bezoekers, 80 procent uit Rotterdam en regio, 44 fte’s) is het oudste scheepvaartmuseum in Nederland. Het begon in 1874 met als kern de scheepsmodellen van prins Hendrik (de Zeevaarder). De collectie bestaat nu uit ruim een half miljoen objecten. Scheepsmodellen, uiteraard, met als beroemdste het vijftiende eeuwse Catalaanse Mataró-model, maar vooral veel modellen uit Nederland. Verder zijn er maritieme voorwerpen als vlaggen, boegbeelden, roerkoppen, navigatie-instrumenten en schilderijen, affiches en landkaarten van onder anderen Gerard Mercator. „We hebben de op twee na belangrijkste maritieme collectie ter wereld”, zegt Loomeijer. „We lenen uit over de hele wereld.”

Museum Rotterdam (81.000 bezoekers, van wie ruim 80 procent uit Rotterdam en regio, 53 fte’s) heeft zijn oorsprong in een antiquiteitenkamer die in 1876 in het Schielandshuis werd ingericht. In 1905 werd het Museum van Oudheden der Stad Rotterdam opgericht, later omgedoopt tot Museum Rotterdam. De collectie bestaat uit ruim honderdduizend aan de stad gerelateerde voorwerpen. Opvallend („onze Mona Lisa”) is de witte vlag die in mei 1940 gebruikt werd bij de onderhandelingen met de Duitsers. Verder varieert het van een vijftiende-eeuwse kinderschoen tot hedendaagse gouden tanden met de inscriptie R van ‘Roffa’, straattaal voor Rotterdam.

Beide hebben een expositie voor kinderen. Museum Rotterdam op zijn tweede locatie, De Dubbelde Palmboom, een negentiende-eeuws pand in Delfshaven. Het museum trekt op zijn beide locaties jaarlijks 14.400 leerlingen. Het Maritiem Museum heeft de populaire Professor Plons, goed voor ruim 50.000 kinderen per jaar.

Het grootste verschil tussen de musea is hun focus. Het Maritiem Museum wil zich niet alleen op Rotterdam richten. „We hebben ons 138 jaar lang toegelegd op de scheepsbouw in en de scheepvaart uit Nederland”, zegt Loomeijer. „Een plotselinge switch naar de stad is niet logisch.” Het museum heeft als ‘mission statement’: een breed publiek bewust maken van de invloed van de maritieme wereld op het leven van alledag van iedereen. Museum Rotterdam wil juist ‘het verhaal vertellen van de stad en haar bewoners’. Naast zijn traditionele museale taak gaat het museum de wijken in om stedelijke ontwikkelingen te volgen. Het heeft een ‘urban curator’ die nu werkt aan een project over mantelzorg in Kralingen en Crooswijk. Daarvoor werd onder de titel ‘Roffa 5314’ onderzoek gedaan naar jongerencultuur in Rotterdam Zuid.

De twee musea werken al samen. Ze delen een afdeling personeelszaken en financiën. Toen het Maritiem Museum vorig jaar de expositie ‘Fashion Ahoy’ organiseerde riep het de hulp in van de modeconservator van Museum Rotterdam. Als ze straks zouden samengaan, ligt het voor de hand dat beide worden ondergebracht in het veel grotere Maritiem Museum. Dat zou dan een deel van zijn expositieruimte moeten inleveren. „Het zou verschrikkelijk inschikken zijn”, zegt Loomeijer. Erger vindt hij dat zijn museum zijn karakter zou moeten opgeven. „Wij zijn zo maritiem als maar zijn kan. Het verhaal van de stad vertellen is niet onze kerntaak.”

Op 1 december moet het rapport van de onderzoekers op het bureau van de wethouder liggen. De directeuren hopen dat het uitwijst dat andere besparingen mogelijk zijn dan fusie. Walgenbach: „Als we verhuizen, zitten we veel goedkoper dan in onze historische panden.” Loomeijer herinnert zich het plan midden jaren negentig om zijn museum te fuseren met het Amsterdamse Scheepvaartmuseum. „Daar kwam uit dat samengaan geen goede optie was, meer samendoen wel. Ik denk dat wij ook hier nog verrassende synergie kunnen behalen. Maar alles onder de noemer ‘stad’ brengen, betekent dat je anderhalve eeuw geschiedenis over boord gooit.”