Pure hiphop met pure opera

In de productie ‘Monteverdish’ komen opera, breakdance en hiphop samen. „Hiphop is vol ironie. Dat past bij deze opera.”

Aan de ene kant van de zaal beuken breakdancers hun schouders in de vloer – dóór de vloer. Ze tollen om hun as, op hun hoofd, gaan de mat met geweld te lijf. Machismo, spierkracht, energie – hun hoek van de zaal zindert. Aan de andere kant koestert oudemuziekspecialist Israel Golani teder de snaren van zijn teorbe, een langwerpig, luitachtig instrument uit de zestiende eeuw. Hier daalt het tempo, heeft de tijd eeuwen stilgestaan, en voel je: traditie, zorg, concentratie. Daar zijn de bewegingen hard, expressief. Hier klinkt het lieflijk en ingetogen. Daar daagt de toekomst, hier manifesteert zich het verleden. Wie het tegelijk ondergaat in die ene zaal, duizelt het nogal.

De voorstelling Monteverdish is een ontmoeting van twee werelden. Die van de stoere-jongens-straatcultuur van dansgezelschap ISH, met hiphop en breakdance, en die van de oude muziek, van Monteverdi en diens opera L’Incoronazione di Poppea (1642). Delen uit de opera worden afgewisseld met eigentijdse elektronische muziek; een barokorkestje wordt bijgestaan door een dj. Er wordt zeventiende-eeuws gezongen, en eenentwintigste-eeuws gedanst. Die twee werelden willens en wetens bij elkaar brengen, klinkt misschien geforceerd: alsof breakdancejeugd cultureel moet worden opgevoed, of opera moet worden opgeleukt met hiphop. Maar tijdens een repetitie lijkt geen van beide genres als excuus voor de ander te fungeren. Aan beide zijden van het spectrum gelden de hoogste kwaliteitseisen. Er is veel overleg, en een grote bereidheid elkaar te ontmoeten, maar niet als daarvoor concessies aan de eigen discipline moeten worden gedaan. Als brug tussen de twee werelden fungeert muzikant Perquisite (Pieter Perquin), die sowieso met één voet in de klassieke muziek (componist, cellist) en één voet in de hiphopwereld (als voormalig lid van het duo Pete Philly & Perquisite) staat. Hij componeerde de muzikale intermezzo’s die Monteverdi naar het nu moeten halen. Maar er wordt ook gewoon gedanst op de tonen van de teorbe.

Een opera over een golddigger

Regisseur en choreograaf Marco Gerris van ISH is altijd op zoek om het repertoire van zijn dansers uit te breiden: hij mengt streetdance met klassieke cultuur, zoals in Shakespeares The Tempest en Herculish, naar de Griekse mythe over Herakles. Opera was nog niet bij hem opgekomen, omdat hij dat, door een traumatisch verplicht uitje met school, „vreselijk” vond. Tot op een kunstfestival in Madrid een paar van zijn dansers in de kleedkamer begonnen te ‘jammen’ met jonge Duitse operazangers. „Toen bleek opera helemaal niet statisch en stoffig, maar juist dynamisch. Hun zang paste heel goed bij powermoves van de dansers; opera kan ook heel krachtig zijn. Plots klopte het.” Het idee van een samenwerking ontstond, en de Duitsers adviseerden Poppea, omdat dat, altijd actueel, gaat over „een golddigger, de liefde, en politiek machtsmisbruik”. Maar met hen liep het project spaak: onverenigbare agenda’s. Toen kwam in Nederland Vocaal Lab in zicht: het ‘atelier voor innoverend muziektheater’ van Romain Bischoff en Arnout Lems, dat zich vaker op het terrein van de populaire cultuur begeeft. Gerris: „Wij gaven hun hiphopklassiekers, zij raadden ons opera’s aan, zo probeerden we een beetje gevoel voor elkaar te krijgen.”

De hiphop die Arnout Lems te luisteren kreeg, was een openbaring voor hem. „Ik dacht dat het allemaal heel heftig elektronisch was, maar hiphop is soms ook heel licht. Die opgewekte energie beviel me; er zit veel ironie in. Dat past wel bij deze opera, vind ik, die in zekere zin, met zijn belachelijke personages, ook behoorlijk komisch is.” Maar de dansers hadden aanvankelijk wel even iets van: ‘Eh, opera?’, volgens Gerris. Daarom organiseerden Lems en hij een ‘snuffeldag’, met een paar zangers en dansers samen in een repetitiestudio. „En dan maar improviseren: jij zingt iets, en jij danst daarop, het maakt niet uit wat je doet. Dat ging meteen goed.”

Tijdens de repetities wordt duidelijk waar dat snuffelen aan elkaar tot dusver toe heeft geleid. Een danser dolt met sopraan Nienke Otten; zij oefent haar toonladders, hij doet er een dansje op. Verderop walst sopraan Laura Bohn met een andere danser, die in het stuk haar alter ego speelt. „Een-twee-drie, één-twee-drie!” Steeds stapt hij uit de maat, of op haar teen; de dansers hebben moeite met de driekwartsmaat. Zij cirkelt sierlijk op haar tenen; hij plant zijn Nikes stevig in de grond. ‘Keep it light’, suggereert Gerris.

Muzikaal leider Arnout Lems bewerkte het libretto zo dat er vier personages resteren: Poppea de golddigger, Nero de machtswellusteling, de wijze Seneca die ten onder gaat, en de naïeve Ottone, die de liefde symboliseert. De vier dansers spelen de zwijgende alter ego’s van de zangers en zangeressen. Gerris en Lems husselen daarbij ook nog de sekseverhoudingen door elkaar. Nero wordt gezongen door een vrouw, Poppea wordt gedanst door een jongen. Lems: „Ik moest de opera heel fris bekijken. Bij zo’n bewerking moet je wel respect hebben voor het origineel, maar niet te veel ontzag. Wil je deze opera nu opvoeren, dan moet je er sowieso aan durven komen. Ik heb de kern en de ritmiek intact proberen te houden. Van Monteverdi hield ik de motieven van de hoofdpersonages erin, bepaalde aria’s, en bijvoorbeeld het slotduet, want dat is inhoudelijk cruciaal. Maar het moest wel een echte kruisbestuiving worden. Er moest pure opera in, maar ook pure hiphop; je moet ze beide stevig neerzetten. Dat snijden en bewerken is volgens mij trouwens echt in de geest van Monteverdi: die knipte en plakte wat af.”

„Denk aan ‘death row’”

Hoe zal hun remix eruitzien, straks? In de zaal komt soms al een geslaagde flard voorbij. Het gezelschap repeteert een dansscène met Seneca, vlak voor diens zelfmoord. Muzikaal begint dat met een cellosolo; weemoedige, broze klanken in mineur, ijl, wegstervend – Seneca heeft verloren, waarheid en wijsheid delven het onderspit, en zijn einde is nabij. Gerris brengt zijn danser in de juiste sfeer: „Denk aan ‘death row’. Dead man walking, dat is het eigenlijk.” De jongen, rode Adidas-trainingsbroek, grijze All Stars, sjokt moedeloos voorbij, de brede schouders laag. (Gerris: „Niet te moedeloos hè, dat zit al in de muziek.”)

De jongen danst met de dood. Hij rolt van een bank, smakt op de grond, richt zich dan weer even op. Het zijn breakdance moves, maar mismoedig; soms nog even krachtig, maar ontdaan van alle hoop. Heel even leeft hij op: duwt zijn lichaam omhoog op één arm, tolt rond, stort dan weer neer. Hij maakt hoekige bewegingen, stuiptrekkend. Een handstand, zijn benen kruisend – zoekend, wanhopig, gaat over in een koprol. Nog even één stoot energie, dan toch weer een val – de laatste.

Men vindt het mooi. De breakdancematen applaudisseren. Danser en cellist grijnzen naar elkaar. De danser geeft de muzikant een hand.

Dansen op zeventiende-eeuwse operamuziek is iets anders dan de ISH-dansers gewend zijn, denkt Gerris. „Vaak zijn die breakdance-powermoves hard: hoekig en recht. Deze muziek vraagt om vloeiender bewegingen, ronder. Dat is een beetje wennen voor ze. Daar moeten we aan werken.” Dat, en die driekwartsmaat dus. Shailesh Bahoran (28), die Poppea danst: „Wij zijn vierkwartsmaten gewend, op de tel: tak-tak-tak-ták. Bij breakdance word je gestuwd door een heel duidelijke beat. Hier is het anders: ik vind het in de muziek moeilijker te voorspellen wat gaat komen. Het lukt nu wel met tellen, maar echt voelen doe ik het nog niet.”

Nieuw is klassieke muziek niet voor Bahoran. Hij houdt van Indiase en Aziatische componisten, en danste in het Muziekgebouw aan het IJ al eens op werk van Poulenc en Saint-Saëns. „Hier moest ik wennen aan de zang. Maar fijn aan dansen op klassieke muziek is dat je niet zo wordt gedwongen door die beat. In breakdance moet je echt met de beat mee, terwijl er hier meerdere muzikale lijnen zijn waar je uit kan kiezen. En langere noten, waarop je verschillende bewegingen kunt doen. Nu kan ik dansen op mijn gevoel, op mijn adem.” Bahoran danst in Monteverdish een solo op het teorbespel van Israel Golani.

Ook voor de musici is het project een verrijking. Golani (40) mag oudemuziekspecialist zijn en een hele reeks zeventiende-eeuwse instrumenten bespelen, hij wil zich als muzikant ook blijven ontwikkelen. Plus: „Ik hou van pop. Ik speel ook ukelele.” Monteverdi was zelf een innovator, vertelt Golani. „Hij introduceerde een nieuw element in de opera van zijn tijd: monodie, de gezongen melodie met akkoordbegeleiding. Daarvoor was zang voornamelijk polyfoon. Met de introductie van monodie kreeg de opera veel meer power.”

Golani kwam niet eerder in aanraking met hiphop of breakdance, maar de stijlen inspireren hem als musicus, zegt hij. Naast de onmisbare rol die zijn teorbe heeft in de oorspronkelijke bladmuziek, speelt Golani in Monteverdish ook nieuwe composities die Perquisite voor hem schreef. In één opzicht voelde hij zich in het ensemble echter achtergesteld: zijn instrument wordt niet versterkt – in het zestiende-eeuwse ontwerp zit nu eenmaal geen stekkeraansluiting. „Ik dacht: ik wil ook effecten!” Golani vond er iets op: nu beroert hij zijn snaren soms met een plectrum, of zelfs met een glas. „Dan klink ik als een elektrische gitaar. Als ik niet aan dit project had meegedaan, had ik nooit geweten dat dat kon.”

‘Monteverdish’ van ISH en Vocaal Lab. Première 8/10, Meervaart Amsterdam. Inl. balls.nl