Oôôôôôôôôô, wat groot en ieeeeeeeee, wat klein

Is er iets groots aan het geluid van het woord ‘groot’? Volgens sommige onderzoekers wel. Die krijgen nu gelijk van baby’s van vier maanden.

Die baby’s blijken namelijk eerder en langer naar grote voorwerpen te kijken als ze een woord horen met een ‘oo’ of ‘aa’-klank erin, en naar kleine voorwerpen als ze een woord horen met een ‘ee’ of ‘ie’-klank erin. Dat schreven Italiaanse psychologen vorige week in Psychological Science.

Dit suggereert dat de relatie tussen de klank en de betekenis van woorden niet altijd arbitrair is. Een van de bekendste voorbeelden van zulke ‘geluidssymboliek’ is het zogeheten bouba-kiki-effect: veruit de meeste mensen, ook kinderen die nog niet kunnen lezen, noemen hoekige figuur het liefst ‘kiki’ en één met ronde lijnen ‘bouba’. Er bestaan dus klanken die rondheid en andere die hoekigheid impliceren; de Duits-Amerikaanse psycholoog W. Köhler toonde het al in 1929 aan (met de ‘baluba’ en ‘takete’). Het verschijnsel is nog niet goed begrepen; het kan met overlappende werking van de zintuigen te maken hebben.

Want waardoor klinken ‘oo’ en ‘aa’ groot, en ‘ee’ en ‘ie’ klein? Misschien zien baby’s dat volwassenen hun mond verder open doen voor ‘oo’- en ‘aa’-klanken dan voor ‘ie’ en ‘ee’ en trekken ze daar impliciet conclusies uit over voorwerpgrootte. Bij baby’s werken alle zintuigen nog sterk samen. Het zou ook kunnen dat de baby’s al hadden gemerkt dat mensen liever de klanken ‘aa’ en ‘oo’ gebruiken in woorden voor grote dingen en ‘ie’ en ‘ee’ in woorden voor kleine dingen. Maar ook dan is het verband dus niet arbitrair. Het is trouwens ook zeker niet perfect, zoals blijkt uit woorden als big en small. En: medeklinkers spelen ook een rol. (NRC)