Mezelf

Onlangs liep ik bij station Rotterdam Centraal, waar ik een jongen van midden twintig met een zwaar Surinaams accent hoorde zeggen: „En toen dacht ik bij mezelf, dit gaat niet werken.”

Grappig: ik veronderstelde altijd dat vooral opa’s en oma’s ‘bij zichzelf’ dachten. „Ik denk bij mezelf, ik neem er een advocaatje bij. Dat heb ik wel verdiend.”

Ik denk dat kabouters, zo ze bestaan, ook vaak iets bij zichzelf denken. Het klinkt gezellig. De jongen op het station had echter heel coole gympen aan, en er liep ook een lekker wijf naast.

Dat ‘bij mezelf’ gaf hem toch iets kneuterigs.

Door jongere mensen wordt ‘bij mezelf’ meestal min of meer ironisch gebruikt, en ook nog meestal in de tweede persoon: „Jaja, jij dacht zeker bij jezelf, ik laat die vuilnis wel staan, iemand anders ruimt het wel op? Lekker is dat.”

‘Ik merk bij mezelf’ is dan weer wel ongekend populair. „Ik merk bij mezelf dat ik heel erg behoefte heb aan dingen doen waar ik gewoon een positief gevoel van krijg.”

We kennen het type.

‘Bij mij’ kan ook gebruikt worden om gedachten te uiten, namelijk op deze manier: „Bij mij is het echt zo van, ik zie het allemaal wel.” Dat klinkt wel interessant, alsof je geest een huisje is waar van alles gebeurt. Een soort ‘bij ons in de Jordaan’, maar dan ‘bij mij in mijn hersenen’.

Wat ik minder hoor, de laatste tijd, is ‘ik voor mij’.

Toen ik nog kind was (de jaren tachtig en de vroege jaren negentig) waren er hordes volwassenen die zinnen uitkraamden als: „Ik voor mij vind relatietherapie niet zo’n punt. Maar Bart-Jan is mordicus tegen.”

Je hoorde nooit ‘hij voor hem’ of ‘zij voor haar’. Alleen maar ‘ik voor mij’. Alleen volwassenen zeiden het.

Als kind voelde je destijds intuïtief al aan dat die uitspraak alweer uit zou zijn tegen de tijd dat je zelf volwassen zou worden.

Dat je veroordeeld zou zijn tot ‘Bij mij is het echt zo van’. En dat je alleen als je heel erg cool was, zo cool dat je schijt had aan cool-zijn, dat je dan, af en toe, mocht zeggen: „Ik dacht bij mezelf.”