Hoogleraar 'rule of law' wil een achterlijke rechtspraak

Maurits Barendrecht begrijpt de machtenscheiding niet. Rechters zijn niet zomaar ‘relatiedokters’ maar moeten de wet toepassen, schrijft Paul Nieuwenburg.

In wat waarschijnlijk bedoeld is als een provocatief betoog om discussie te stimuleren stelt Maurits Barendrecht dat rechters „marktaandeel verliezen”. Rechters zullen moeten „innoveren”, „echt met partijen aan de slag gaan”. Rechters, die in Barendrechts visie „vooral een soort relatiedokters” zijn, zullen moeten accepteren dat de vraag „of gebruikers zich rechtvaardig behandeld voelen” een „belangrijk ijkpunt” is voor hun beslissingen. Volgens Barendrecht heeft Montesquieu’s ‘verhaal’ over trias politica, dat hij een ‘sterk’ verhaal vindt, zijn beste tijd wel gehad.

Barendrecht lijkt echter bijzonder weinig van dit verhaal te begrijpen. Om te beginnen zijn de trias politica en de machtenscheiding twee verschillende leerstukken. Volgens de triasleer kent iedere staat drie functies, te weten wetgeving, uitvoering, en rechtspraak. Montesquieu’s leer van de machtenscheiding stelt dat geen van deze drie functies in dezelfde handen verenigd mogen zijn. Daarnaast is er het beginsel dat ervoor zorgt dat deze drie machten elkaar controleren en in evenwicht houden. Barendrecht gooit beide verhalen op een hoop. (Eerlijkheidshalve, hij is niet de enige.)

Volgens Barendrecht zijn rechters er „voor de checks and balances. Ze beslissen op basis van wet en recht, dat in belangrijke mate wordt gevormd door deze zelfde juristen”. Dit is een merkwaardige uitspraak. Alle rechters zijn juristen, niet alle juristen zijn rechters. Barendrecht suggereert dat juristen een kaste vormen die het recht zowel maken als toepassen. Dit is natuurlijk klinkklare onzin. Een van de fundamentale beginselen van de machtenscheiding is juist dat rechters geen wetten maken, maar deze uitvoeren of toepassen op concrete geschillen.

De rechterlijke onafhankelijkheid ligt voor een groot deel besloten in het feit dat volgens het beginsel van de machtenscheiding de rechter ook een uitvoerder is, namelijk van algemene wetten. In alle staatsinrichtingen die georganiseerd zijn volgens dit beginsel is de wetgever de hoogste, soevereine macht. Bij die wetgever horen namelijk de volksvertegenwoordigers die door ons, het volk, zijn gekozen. De rechter is volgens Montesquieu slechts la bouche de la loi, ‘de mond van de wet’. Op deze wijze integreert het beginsel van de machtenscheiding het leerstuk van volkssoevereiniteit dat essentieel is voor de democratie.

Barendrecht voert het Wildersproces aan als ‘absurdistische’ versie van Montesquieu’s verhaal. In dit proces waren we getuige van rechters die „elkaar opdrachten geven”. Welnu, het Wildersproces verdient zeker geen schoonheidsprijs. Wat het proces echter duidelijk maakt, is hoezeer partijen zelf hechten aan een onafhankelijke rechter. Volgens Barendrecht kwamen „de hoofdpersonen” in het Wildersproces „nauwelijks aan het woord”: de rechters „verhoorden en wraakten elkaar”. Als de advocaat van Wilders, Moszkowicz, tot deze hoofdpersonen gerekend moet worden, dan is de keten van wrakingsverzoeken en -replieken door deze hoofdpersoon zelf in gang gezet. Sterker nog, de wrakingsverzoeken waren begrijpelijke (hoewel zeker ook tactische) reacties op rechters die de schijn van vooringenomenheid wekten. En er is wel wat voor dergelijke verzoeken te zeggen, juist omdat de onafhankelijkheid van de rechter gewaarborgd dient te worden omwille van de geloofwaardigheid van de rechtspraak. Deze geloofwaardigheid bestaat in belangrijke mate in de rechterlijke onafhankelijkheid.

Maar rechterlijke onafhankelijkheid is volgens Barendrecht weinig anders dan een legitimatie voor juristen „zichzelf privileges toe te kennen”. Dit laatste heeft niets, maar dan ook niets met de machtenscheiding van Montesquieu te maken. Nee, wat Barendrecht voor onafhankelijke rechters in de plaats stelt zijn „relatiedokters” die het rechtsgevoel van „gebruikers” als ijkpunt nemen. De „gewonere, menselijkere” rechter velt een oordeel op basis van het toevallige rechtsgevoel van partijen, ook als deze kibbelend over de grond rollen of elkaar zelfs naar het leven staan. Dit is geen moderne rechtspraak: het is niet modern, maar achterlijk, en het is geen rechtspraak.

Dr. Paul Nieuwenburg is verbonden aan het Instituut Politieke Wetenschap van de Universiteit Leiden.