Headbangen met een sluier

Op het podium met metershoge boxen staat de Oezbeekse rockzangeres Sabina Ablyaskina op hoge hakken te headbangen. „Kabul, are you ready?” schreeuwt ze in het Engels naar het publiek.

Een paar jongens op de voorste rij schreeuwen ‘yes!’ terug. Zoals bij een echt concert hebben we een stempel op onze handen laten drukken bij de ingang van Queens Palace.

Menig festivalorganisator in het Westen zou jaloers zijn op deze locatie, denk ik als ik om me heen kijk. Ik waan me even in de sfeer van Duizend-en-één-nacht: Queens Palace is een prachtig gerestaureerde Haram Sarai, een onderkomen voor de vrouwen van oude Afghaanse koningen. Maar tussen de hoge muren met wasruimtes en slaapkamers klinken nu niet het gekletter van fonteinen en de voetstappen van vrouwen, maar de keiharde rock van de Oezbeekse formatie Tears of the Sun.

Drie zwaargesluierde meisjes gluren door een raam naar ons. Ze kijken afkeurend. De muziek staat te hard, ik lach vergoelijkend in de hoop dat ze deze situatie begrijpen.

De laatste keer dat er in Kabul rockmuziek klonk, is iedereen hier vergeten. Een toen populaire ‘Afghan Elvis’ oftewel Achmed Zahir, vermaakte de hippies in de jaren zestig en zeventig. Met de komst van de Sovjets, eind 1979, brak de oorlog uit en gingen de nachtclubs dicht.

En toen het streng islamitische Talibaan-regime eind jaren negentig de macht overnam, werd het definitief stil. Westerse muziek was ten strengste verboden.

De sfeer is gespannen. Iedereen weet dat de Talibaan tien jaar weg zijn, maar dat wordt met dit festival niet gevierd. Ook de westerse organisatoren zeggen niet: ‘Kijk eens hoe goed het nu gaat in Afghanistan, we kunnen zelfs een concert organiseren’. En dat is ook niet zo. Er wordt dan wel gerockt in Kabul, maar met Afghanistan gaat het elk jaar slechter.

Mijn verwachting dat de circa twintig meisjes die zijn komen opdagen zich vrij zullen voelen om hun hoofddoek af te doen, blijkt ook niet terecht. Iedereen blijft gesluierd: van de Oezbeekse rockster tot de vrouwen in het publiek.

Ook ik sla mijn doek maar weer snel over mijn hoofd. Een westerse vriendin, met wie ik een kebabje eet, vertelt dat er voor Queens Palace is gekozen in de hoop veilig te zijn voor stenengooiers. „In een gebouw verderop in het park zouden boze Afghanen ons kunnen raken met hun stenen.” De dreiging komt niet alleen van Talibaan of aanverwanten, maar ook van ‘gewoon’ conservatief ingestelde Afghanen.

Het verbaast me dat er zo’n 250 man op het plein staan. Een aankondiging op billboards of in de krant is niet mogelijk: dan kun je net zo goed de Talibaan zelf bellen. En dus is Facebook gebruikt om fans op de hoogte te stellen van dit zogeheten stealth concert. De Australische organisator, Travis Beard, zei in een interview dat het concert „als een stealth bommenwerper onder de radar vliegt, een hoop muziek op de jongeren laat neerdalen, en weer verder vliegt”. Plaats en tijd werden pas op de dag zelf bekendgemaakt.

JD, een vriend die zijn Afghaanse naam niet meer hip vindt en daarom zijn toevlucht heeft genomen tot initialen, wijst op een man met een tulband. „Die oude man vroeg zojuist of er ook muziek gedraaid kon worden waar schandknaapjes op dansen.” Lachend loopt hij terug naar zijn vrienden met vetkuiven en T-shirts met teksten als ‘I am taken’ of ‘Beach Club Kandahar’.

Halverwege onderbreekt organisator Beard de muziek, zodat een medewerker van de Amerikaanse ambassade kan zeggen dat de Verenigde Staten dit concert hebben betaald en dat „vrede heel belangrijk is”.

Ik verwacht nu boegeroep, maar dat blijft uit. De Afghanen vooraan in de rij klappen hard en juichen „vrede, vrede”. Waarna de volgende band z’n lading rock-’n-roll op het publiek laat neerdalen.

Bette Dam