Fietsen met blokken

In de rubriek Vergeten bespreekt Rob Biersma (bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag Nederlandse fietsen met ‘blokken’ op de trappers. „Twee of drie centimeter extra maakte het verschil.”

Rijwielfabrieken bevonden zich rond de oorlog vooral in de provincie. Er waren veel plaatselijke merken. Sommige hadden ook nationale bekendheid. Alleen al in het noordoosten had je Gazelle (Dieren), Union (Nieuwleusen), Mustang (Assen), Burgers (Deventer), Fongers (Groningen), Germaan (Meppel), Veeno (Bedum), Empo (Vorden) en Phoenix (Leeuwarden). Batavus (Heerenveen) zou na de jaren zestig een deel van deze fabriekjes opslokken. In Amsterdam concurreerden Magneet, Simplex en Locomotief met elkaar.

De frames werden zelf in elkaar gesoldeerd en gemoffeld, maar veel onderdelen kwamen uit het buitenland zoals de naaf en de velgen. In het vlakke Nederland was de goedkope terugtraprem goed bruikbaar en dus algemeen. Vrijwel zonder uitzondering waren het grote, zwarte fietsen met 28 inch wielen. Een bekende bandenmaat was 28×1,5, een tamelijk dikke band die heel geschikt was voor klinkerwegen en kinderkopjes. De banden waren nog niet zwart, maar gelig of vuilwit met krijt als vulmiddel bij het rubber.

Typisch Nederlands was de kettingkast van gelakt zeildoek.

De rijkere mensen permitteerden zich verfijndere fietsen met trommelremmen en versnellingsnaven. En de zeer rijken gaven hun kinderen Engelse fietsen zoals Raleigh of Rudge. Met een hockeyklem naast het voorwiel staken zij hun klasgenootjes de ogen uit.

Kinderfietsen waren nog zeldzaam; je leerde fietsen op een grote fiets. Vanzelfsprekend was dat een oud barrel, al dan niet opnieuw opgeschilderd. En zelfs al stond het zadel in zijn laagste stand, dan nog kon je vaak niet bij de trappers.

Voor dat probleem bestond in de jaren vijftig een eenvoudige truc: vader zette ‘blokken’ op de trappers. Onder en boven de trapper werd een passend plankje aangebracht zodat de trapper in zijn geheel een dik blok werd. Die twee of drie centimeter extra dikte maakte het verschil: nu kon je wel bij de trappers.

En daar ging je dan, hoog gezeten op je fiets, aanvankelijk nog gesteund door je meehollende vader en dan helemaal los. Op de autoped wist je je evenwicht wel te bewaren, maar dit was hoog, érg hoog. En het ging, het ging! Trots reed je voor het eerst rond. Maar uit je ooghoeken keek je of je klasgenoten je niet zagen. Want een fiets met blokken, dat was zichtbare armoe.