De verloren generatie strijdt met geleende woorden

Jongeren in heel Europa hebben dezelfde boodschap: wij zijn vergeten.

Nu moeten ze nog uitvinden waar hun klacht precies op steunt.

De jongeman die me enkele weken geleden over de Theems voer, droeg een mat tot ver in zijn nek, en praatte plat Londens. Het was twee weken na de grote rellen en, hoewel het vuur geluwd was, hield het gonzen nog aan: de stad was in verwarring. Een verwarring die werd uitgedrukt in essays en commentaren, geschreven door mensen die sociaal-geografisch gezien niet verder van de relschoppers af konden staan. De veerman voorzag de reis van commentaar, een champagne-emmer aan zijn voeten voor fooien. Door zijn ogen zag ik hoe de stad veranderd was. Hoe pubs waren omgebouwd tot quasi-authentieke hotels, en hoe scheepswerven waren veranderd in behuizing voor de rijke bovenlaag. Zijn stille protest bestond uit bijzinnen als: ‘Now, inevitably, luxurious appartments.’

Weinig woorden laten zich zo makkelijk uitspreken als de typeringen van een generatie. Waar in nationaal opzicht wordt gesproken van een grenzeloze generatie met een teveel aan opties, heten wij (grofweg geboren na 1985) in Europees verband een verloren generatie. Weinig toekomstperspectieven, deprimerende werkloosheidcijfers, studieschulden die ons dwingen tot het aannemen van de eerste de beste baan, meestal ver onder het opleidingsniveau. Nederland is een uitzondering. De werkloosheid is relatief laag: dubbel zo laag als het Europese gemiddelde, met alleen Duitsland en Oostenrijk die even goede cijfers halen. Ter vergelijking: in Spanje ligt de jeugdwerkloosheid op 46 procent, in Griekenland op 39.

De Nederlandse economie heeft de eerste klappen van de crisis goed doorstaan, mede doordat we de rekening hebben doorgeschoven naar andere Europese landen. Toch is het een illusie te denken dat dit een blijvende situatie is: in een Europa waarin de landen economisch zo nauw met elkaar in verbinding staan, kan het niet anders dan dat harde tegenspoed uiteindelijk iedereen hard treft. De jongste generatie Europese studenten komt er relatief slecht vanaf: juist de door hen geambieerde banen zullen tegelijk met het afzwaaien van de babyboomers die deze banen bekleedden, grotendeels verdwijnen. Terwijl het vooralsnog de vraag blijft hoezeer de Nederlandse student getroffen zal worden, is een vergelijkbaar georganiseerd studentenprotest als in de meer zuidelijke Europese landen niet langer ondenkbeeldig. Het onrecht waartegen men daar protesteert, zal in beginsel datzelfde zijn als waar de Nederlandse student mee te maken zal krijgen: er zijn geen banen die aan onze verwachtingen voldoen.

Waar het studentenverzet in Nederland kleinschalig en ondergronds is, is men elders in Europa mondiger. Niet alleen in Londen, ook in Frankrijk, Israël en Spanje roeren mensen zich. Tienduizenden mensen op het Puerta del Sol-plein in Madrid, talrijke demonstraties in Griekenland en Portugal, overal klinkt dezelfde legitieme, zij het wat ongerichte boodschap: wij zijn niet verloren. Wij zijn vergeten. En jullie, ouderen, zijn het die ons zijn vergeten.

Wie precies zijn vergeten, verschilt overigens per land. Waar de Londense protesten draaien om de arbeidersklassen, of in sommige analyses juist om het wegvallen van de houvast van de Engelse klassenmaatschappij, is het protest in landen als Frankrijk en Spanje eerder intellectueel van aard, geleid door studenten. De wij is aldus verschillend; het idee achtergesteld te zijn, het te verliezen van een soms obsceen rijke bovenlaag, is dat niet. Het is daarom logisch dat de universitaire elites van Frankrijk en Spanje, immers min of meer in hetzelfde schuitje, nauw met elkaar in contact staan. Internet is als geen ander medium in staat om een kleine gebeurtenis te maken tot een groot gebeuren.

Een van de grootste hypes in de wereld van de studentenprotesten van de afgelopen maanden is het pamflet Indignez-vous!, van Stéphane Hessel, in het Nederlands vertaald met Neem het niet!. Het succes van het boekje is ongeëvenaard; in Europa gingen miljoenen exemplaren over de toonbank. Men zou het kunnen zien als het sleuteldocument van het recente studentenverzet. Tragisch genoeg is het geschreven door een drieënnegentigjarige man die al in de eerste zinnen van zijn essay zijn einde aankondigt: ‘93 ans! […] La fin n’est plus bien loin’.

Hessel, die Buchenwald heeft overleefd en heeft meegeschreven aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, komt met een advies voor onze generatie: pik het niet, wees verontwaardigd, maak u kwaad. Begrijpelijke woorden van iemand die zijn leven en loopbaan heeft geënt op het bestrijden van onrecht, sterk leunend op het ultieme onrecht: De Tweede Wereldoorlog. Op pagina 11: ‘Als u verontwaardigd bent over iets, zoals ik verontwaardigd was over het nazisme, dan wordt u strijdvaardig, sterk en geëngageerd.’ Het dertig pagina’s tellende boekje staat vol abstracties en algemene klachten over zaken variërend van de kloof tussen arm en rijk, de uitputting der grondstoffen en de situatie in Palestina.

Dat iemand van drieënnegentig zich bedient van platitudes of rêverie is tot daar aan toe, maar dat de Europese opstandeling zijn boodschap, de introspectie van een bejaarde, heeft omgedoopt tot strijdmiddel is verwarrend, zo niet lachwekkend. De morele ijkpunten die voor Hessel van essentieel belang zijn, zijn voor ons aanzienlijk minder beladen en richtinggevend, aangezien we zijn directe ervaringen niet delen. De Tweede Wereldoorlog, het existentialisme van Sartre (Hessel citeert: ‘een mens is pas echt als hij zich engageert’): het zijn beelden en ideeën die in de loop der jaren sterk aan lading hebben ingeboet. De jonge Europeaan leest over indignation, neemt de woorden over, zonder na te denken over waar de klacht op steunt. In Spanje wordt deze lacune opgevuld door een ander gedateerd monument: Marx. De boodschap van studenten op het Puerta del Sol-plein: ‘de omverwerping van het kapitalisme’.

Het reflexmatig refereren aan de oorlog is overigens niet uitsluitend Europees, zo zag ik bij de beelden van de recente protesten in Wall Street, ook grotendeels geleid door studenten. Ik zie een donkere man die een groot wit bord ophoudt, waarop met zwarte verf de tekst ‘Hitler’s Bankers, Wall Street’ geschreven staat.

Onze generatie, wij, strijden voor rechtvaardigheid, zonder te weten wat we eronder verstaan. ‘Dezelfde rechten als de generaties voor ons’, maar dat is eveneens een zwaktebod. Dan komt ‘neem het niet’ neer op ‘we willen even veel nemen als onze ouders’. Het op de straat gaan zitten, alsof om te zeggen: ik loop niet verder, ondertussen roepend dat het allemaal niet eerlijk is, als een klein kind dat het spel verloren heeft, en zeker weet dat er is vals gespeeld.

Nu, wij, jonge Europese studenten, gaan de strijd in met oude wapens, ideeën die onze ouders meer zeggen dan onszelf. Als we demonstreren, en we iets te melden willen hebben naast een gerechtvaardigde weeklacht, moeten we duidelijk maken waarom wij nodig zijn, wat we te bieden hebben naast een diploma. Wij hoeven geen rechtvaardigheid meer, de morele ijkpunten waardoor eerdere generaties zijn voortgestuwd zijn op, de wapens verroest. Wij zijn niet allemaal verloren, we zijn niet allemaal onverschillig. In plaats van Hessel te citeren, moeten we de onbeweeglijkheid van oudere generaties bevechten met de waarheid van de Londense veerman. Dat is de les die in Londen besloten ligt, en die niet te vinden is in pamfletten en debatclubs. ‘Voor deze rondleiding krijg ik niets betaald, u bent niet verplicht om geld te geven. Maar bedenk wel: uiteindelijk ben ik het die u van de boot helpt.’

Daan Heerma van Voss (1986) is historicus, interviewer en schrijver. Deze tekst is een ingekorte versie van het essay dat hij vanavond zal voordragen te Spui 25, Amsterdam, ter gelegenheid van de thema-avond ‘De Verloren Generatie’, georganiseerd door De Groene Amsterdammer.