De Verlichting voorbij?

Tijdperken hebben altijd een zekere tijd nodig om eraan te wennen wanneer vertrouwd geworden begrippen niet meer passen bij de problemen die actueel geworden zijn, schrijft een zekere Jürgen Kaube in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 27 september. Dat is waar. Socialisme en liberalisme, eens vernieuwende bewegingen, zijn nu tot fossielen geworden, die hun mantra’s in een veranderde wereld herhalen.

Zelfs D66, nog maar 45 jaar oud, spreekt een taal die in een samenleving waarin de werkelijke kloof loopt tussen hoger- en lageropgeleiden, de overkant van de kloof niet bereikt. „Er moet een verhaal komen dat de kleinburger en de wereldburger bij elkaar brengt”, zegt Paul Scheffer in Vrij Nederland van 1 oktober. Zelf heeft hij dat verhaal niet.

Maar Kaube schreef zijn artikel in de FAZ niet naar aanleiding van de Nederlandse problemen, maar naar aanleiding van Europa’s wanhopig zoeken naar de juiste politieke vorm om de huidige schuldencrisis te boven te komen. Vroeger werd veel gedisputeerd over de vraag of het politieke Europa een federatie, een confederatie, een Europa der staten, een economische unie dan wel iets daartussenin – iets sui generis – moest worden. Maar nu lijkt dit dispuut ‘folklore uit vervlogen tijden’. De vraag is nu: wie oefent de soevereiniteit uit?

„Souverän ist, wer über den Ausnahmezustand entscheidet”, luidt de uitspraak waarmee Carl Schmitt zijn Politische Theologie (1922) begon. Deze zin is blijkbaar zo bekend dat Kaube Schmitt niet eens hoefde te noemen om zijn artikel te beginnen met een voor iedereen duidelijke knipoog naar hem: „Souverän ist wer den Normalzustand bezahlt.” Want Griekenland – en wie straks nog meer? – moet naar de normale toestand teruggebracht worden, dat wil zeggen: moet gehoorzamen aan de discipline van het Stabiliteitspact, die het grof geschonden heeft.

Maar welk gezag moet dit afdwingen? De Europese Centrale Bank? Herman Van Rompuy namens de nationale staten? Of moet dat nieuwe gezag juist „kunnen interveniëren zonder dat een regering daartussen kan komen”, zoals staatssecretaris Knapen in een interview met de FAZ (27 september) zei? De Europese Commissie dus? En aan wie is dat nieuwe gezag verantwoording schuldig? Aan een Europees Parlement dat minder legitimiteit geniet dan de nationale parlementen?

Het is heel eenvoudig, zeggen sommigen, het staat allemaal in het Verdrag van Lissabon van 2009. Maar, zoals het hoofdartikel in deze krant op 29 september schrijft: „Zolang het goed ging, leek het compromis (van Lissabon) te werken: samen komen we er wel uit. Maar nu begint het te wringen.” Wanneer de voorzitter van de Europese Commissie dit gezag claimt, heeft hij misschien wel gelijk, maar dan is, volgens het hoofdartikel, het woord van Bertolt Brecht van toepassing: „Doch die Verhältnisse, sie sind nicht so.”

Als om de algehele onzekerheid te onderstrepen staat in hetzelfde nummer van de krant de tekst van de intreerede die Maurits Barendrecht heeft gehouden voor het The Hague Institute for the Internationalisation of Law, waar hij gasthoogleraar is geworden. Barendrecht zegt dat zelfs Montesquieu’s Trias politica geen antwoord biedt op de problemen van deze tijd. Schokkend als deze visie is, zo vreemd is zij niet. Als liberalisme en socialisme, erfgenamen van de Verlichting, geen antwoorden meer weten op die problemen, dan is het niet verrassend te vernemen dat zelfs het denken van een van de vaders van die achttiende-eeuwse stroming vieux jeu is geworden. Maar wat dan?

Het Rome van vóór de keizers had een oplossing: in een militaire of politieke noodsituatie werd, voor de duur van doorgaans zes maanden, een dictator benoemd, die bijna absolute volmachten kreeg. Anders dan bij moderne dictatoren had zijn tijdelijk ambt een zuiver constitutioneel karakter. Maar ja, Rome was toen nog een vrij kleine gemeenschap, Europa daarentegen bestaat uit vele volken. Een Europese dictator (Romeinse stijl) zou in de meeste landen xenofobe gevoelens wekken.

Bovendien zou het gevaar van zo’n ‘verlichte dictatuur’ in deze tijd niet alleen zijn dat zij zich zou bestendigen, maar ook dat de mensen zich er op den duur wel bij zouden gaan bevinden. Dan doemt Tocqueville’s ‘democratisch despotisme’ op: „een gigantisch bevoogdende macht, die de exclusieve zorg voor de genietingen van de massa’s naar zich toe getrokken heeft en zich over haar welbevinden heeft ontfermd”.

In een knipsel uit The Times van 6 maart 1967, dat ik bewaard had, staat iets soortgelijks: de Amerikaanse historicus Nicholas Roosevelt (1893-1982) vreesde dat de democratie een curieus achttiende-eeuws verschijnsel zou blijken te zijn, dat gedoemd was te verdwijnen, plaatsmakend niet voor een gewelddadige dictatuur, maar voor gewoon ‘OK, Boss’. Tja, als de mensen zich daar gelukkig bij voelen, is het tijdperk van de Verlichting, en de democratie, wel voorgoed voorbij.