Claude Lorrain, de wandelaar

Claude Lorrain schilderde in de 17de eeuw Arcadische landschappen. Engelsen modelleerden daar in de 18de eeuw hun tuinen naar. Lorrains werk is nu te zien in Haarlem.

L 015, 08-03-2007, 11:59, 8C, 7934x6244 (0+1783), 100%, Custom, 1/120 s, R42.8, G17.1, B27.6

Afgelopen voorjaar, toen heel Engeland van een vroege zomer genoot, bezocht ik Chatsworth House, buitenhuis van vele generaties Dukes of Devonshire. Het landschapspark rond Chatsworth is een van de beroemdste in zijn soort. Op het eerste gezicht straalt alles aan het park natuur uit. Pas toen ik beter keek viel me op hoe de boomgroepen, weides, de rivier de Derwent, de steile heuvel achter het huis, de kleurschakeringen in het gebladerte, het clubje herten en de kudde schapen, tezamen een volstrekte harmonie ademden, waarin geen enkele zichtlijn storend werd onderbroken. Zelfs de picknickende dagjesmensen gaven het geheel een pastorale aanblik. Een natuurlijk landschap dat oogt als een schilderij, de Engelsen hebben er sinds de achttiende eeuw een kunst van gemaakt.

Het landschapspark mag dan een Engelse uitvinding zijn, als erover wordt gesproken valt al snel de naam van de Franse schilder Claude Lorrain (1600-1682). In Nederland is hij bij het grote publiek weinig bekend. De prachtige tentoonstelling Claude Lorrain, meester van het gouden licht in het Teylers Museum kan daar nu verandering in brengen. Het mooie is dat tegelijkertijd een aantal paradoxen die de beeldvorming rond zijn werk aankleven op scherp worden gezet, wat de expositie intrigerender maakt dan de zoveelste presentatie van een vergeten meester.

In de zeventiende eeuw maakte Claude Lorrain in Rome furore met het genre van het ideale, Arcadische landschap. Hij kon toen niet bevroeden dat zijn schilderijen een eeuw later de Engelse landschapsarchitecten als voorbeeld zouden dienen toen zij, aangemoedigd door aristocratie en rijke industriëlen, het Engelse platteland een nieuwe aanblik gaven.

Het lijkt ook een omgekeerde wereld: schilderijen die natuur tot voorbeeld staan. Zeker als je bedenkt dat de landschappen van Lorrain allesbehalve ‘natuurlijkheid’ uitstralen. Je kunt er weliswaar het heldere water in horen klateren, maar de ruïnes en tempels herinneren vooral aan een onmogelijk ideaal van immer bebloemde velden, zoals dat ooit werd bezongen door Griekse en Romeinse dichters.

Als je wilt genieten van Lorrains landschappen, moet je het hele idee van authenticiteit en natuurlijkheid opzijzetten. De aantrekkelijkheid ervan is niet het onverwachte, niet de ongrijpbare verrassing, maar het geformaliseerde, het kunstmatige. De wildernis is bij Lorrain getemd, gedomesticeerd, een enscenering van zorgvuldig geplaatste decorstukken. De natuur als theater, een zorgvuldig vormgegeven bühne, waarin de spelers ieder moment uit de coulissen kunnen komen om Vergilius te declameren. Het is niet de wereld zoals hij is, maar zoals hij zou moeten zijn.

Toeristenfolder

Het heeft iets duizelingwekkends, Lorrains geperfectioneerde natuur. Het oogt zo vanzelfsprekend, zo vloeiend, zo harmonieus, zo natuurlijk en tegelijkertijd kriebelt er ongeloof: te perfect, te keurig, te geïdealiseerd.

Alles staat onwrikbaar op de juiste plaats, zoals in een designinterieur of een foto voor een toeristenfolder. De onderliggende, spannende paradox is dat dit wordt gerealiseerd met natuurlijke elementen: weiden, meren, watervallen, bomen, bosschages, verre bergketens en bovenal de regie van het zonlicht.

De charmes zijn overduidelijk, ik val er gemakkelijk voor, maar wat voor soort natuurbeleving ging er eigenlijk aan vooraf? Bestond er voor Lorrain wel zoiets als vrije natuur?

Een verrassend antwoord op die vraag is nu in het Teylers Museum te vinden. De expositie toont een dertiental mooie schilderijen die de reputatie van Lorrain als de meest virtuoze landschapsschilder van zijn generatie meer dan waarmaken, maar uiteindelijk draait het daar niet om. Het werkelijke zwaartepunt wordt gevormd door zijn tekeningen, waarvan het Teylers zelf een collectie van wereldfaam bezit.

Die tekeningen zijn verbluffend. Waar Lorrain in zijn schilderijen een ‘alles op zijn plaats’ schilder is, daar vieren zijn tekeningen de vrijheid van het moment, de impuls. Niks geen vormelijkheid, maar snelle vegen, gedurfde contrasten, uitvloeiende inktvlekken. Als er geen datum bij zou staan, zou je kunnen geloven dat ze eind negentiende eeuw zijn gemaakt door een vergeten impressionist.

Uit de voorbeeldige catalogus (die nog maar eens aantoont dat voor een museum wetenschappelijke aandacht van de curatoren essentieel is om tot verrassende inzichten te komen) wordt duidelijk dat Lorrain voor die tekeningen echt de natuur in trok. Ze zijn gemaakt op lange wandelingen in de Campagna, langs de oevers van de Tiber en vanaf de hoogtes bij Tivoli, in het gezelschap van Nederlanders als Cornelis van Poelenburch en Bartholomeus Breenbergh, die rond de Vlaming Paul Bril een schildersclubje hadden gevormd waar ook nog Duitsers en Fransen (zoals Poussin en Lorrain) zich bij aansloten.

Je kunt dat aan de tekeningen aflezen. Lorrain beeldt geregeld een collega aan het werk af, in de schaduw van een boom of rots, het schetsboek in de aanslag. En nog belangrijker, de spontaniteit die de tekeningen ademen wijzen op een directe reactie, een poging het moment te vangen, hoe het harde zonlicht door het gebladerte blikkert bijvoorbeeld, de ogen even verblindt, of hoe een plotse windvlaag de kruinen van de bomen doet buigen. Uit alles spreekt een enorm plezier in het vangen van het onverhoedse, dat wat zich niet laat regisseren, maar plots gebeurt. De natuur zoals je die beleeft als je wandelt.

Het is me een raadsel hoe al die spontaniteit en directheid uiteindelijk tot de welgevormde en precieuze schilderijen voerden waar Lorrain zo beroemd mee werd, al zal een regerende smaak daarmee te maken hebben gehad. Zijn collega-schilder en latere biograaf Joachim von Sandrart schreef echter unverfroren dat Lorrain weinig talent had voor tekenen. Hij begreep er niets van dat de schilder van de formele landschappen die hij zo bewonderde op papier maar wat krabbelde en spetterde. Kennelijk verwachtte hij dat ook een tekening van de vrije natuur eruitzag als een aangeharkt Arcadië.

Ik zag de tekeningen van Lorrain in het Louvre, waarmee het Teylers de expositie co-produceert, juist voor de Engelse wandeling die me via de ruigtes van het Peak District ook bij Chatsworth House bracht. Het deed me ter plekke beseffen hoe paradoxaal en ironisch de wegen van de beeldcultuur kunnen kronkelen. De opeenvolgende hertogen van Devonshire, net als al die andere bezitters van Engelse landhuizen, namen de landschapschilderijen van Lorrain en zijn tijdgenoten, zoals de flamboyante Salvator Rosa (1615-1673) of de abstracte Nicolas Poussin (1594-1665), van hun Grand Tour mee naar Engeland. In Chatsworth House hangen er voldoende om van het genre een studie te kunnen maken. Maar klaarblijkelijk waren die schilderijen niet voldoende als venster op de wereld. De bezitters wilden door hun echte ramen dezelfde landschappen bewonderen als in hun kunstcollectie. De formele baroktuinen waar hun voorvaderen nog voor vielen, werden vervangen door landschappelijke tuinen en parken, waarin de blik kon verglijden in een dromerig en pastoraal Arcadië, met hier en daar een rotspartij, een watervalletje en een zorgvuldig geplaatste namaakruïne. Lorrain c.s. tot leven gebracht in de Engelse regen.

Het pittoreske als ideaal werd gemunt en Claude Lorrain gold als de profeet. ‘All nature is a garden’, oreerde William Kent (1685-1748), die veelal als de eerste succesvolle landschapsarchitect van de achttiende eeuw wordt opgevoerd. ‘All gardening is landscape-painting’, voegde Alexander Pope (1688–1744) daaraan toe. Engelse landschapsparken werden gemodelleerd als een levend schilderij. Maar hoe zat het met de natuur achter die parken? Je kon toch niet heel Engeland op de schop nemen om het ideaal van het pittoreske te realiseren?

Toch hielden de landschapsarchitecten wel degelijk rekening met de blik voorbij het park. De overgang naar het achterliggende bestaande landschap moest vloeiend ogen. De grens werd gevormd door een zogenaamde ‘ha-ha’, een onzichtbare gracht die de schapen en herten binnenhield, maar tegelijkertijd een zekere eindeloosheid van het park suggereerde.

Claudespiegel

De stap van de wandelaars in de parken over die ha-ha bleek al snel een kleine. Onder aanvoering van een wandelende predikant als William Gilpin (1724-1804) ging men ook buiten de grenzen ervan op zoek naar het pittoreske. De natuur kende echter één grote zwakte, meende Gilpin, die ontbeerde ‘compositie’. Daarin toonden de schilders zich toch de meerdere van God. En dus ging er een klein hulpmiddel mee om de natuur in te tomen, een zogenaamd Claudeglass of Claudespiegel. Dit zwarte, opbollende spiegeltje liet de pittoreske eigenschappen van het landschap beter tot hun recht komen, zeg maar zoals in een schilderij van Claude Lorrain, die ook de naamgever van het razend populaire gadget was.

Een van de belangrijkste effecten van de Claudespiegel is een nivellerende. Het verzacht contouren en kleuren en suggereert een orde, een compositie. Zou Lorrain op zijn wandelingen met zijn schildersvrienden ook graag zo’n spiegel hebben meegenomen? Ik heb lang gedacht van wel, maar nu ik zijn tekeningen heb gezien, betwijfel ik het. Sterker, zijn tekeningen ontkennen het. Hij zocht de natuur zoals die zich aandiende, wild en ongetemd. Hij was een wandelaar pur sang, die zijn vrijheid celebreerde.

De landschappen die hij uiteindelijk schilderde waren droombeelden, een onbestaand Arcadië. Dat de Engelsen er hun land naar zouden vormgeven, kon hij niet bevroeden. Evenals dat vreemde verlangen om ernaar te kijken via een gek zwart spiegeltje.

Als hij met me mee was gegaan naar Chatsworth House, zou hij hebben geglimlacht, vermoed ik. En me de volgende dag met plezier zijn gevolgd over de woeste hoogtes van het nabijgelegen Peak District, om er, de wind in zijn haren, een lekkere wilde tekening te maken. Een paar verwaaide regendruppels op zijn schetsboek zou hij met zijn vinger door de inkt smeren, een ruige donderwolk het resultaat.

Claude Lorrain, meester van het gouden licht, Teylers Museum, Haarlem. T/m 8 jan. 2012. Di t/m za 10-17u, zo 12-17u. Inl. teylersmuseum.eu

Meer Lorrain binnenkort in Oxford: The Enchanted Landscape, Ashmolean Museum, 6 okt. t/m 8 jan., in het Städel Museum in Frankfurt, 3 febr. t/m 6 mei 2012.