China en de VS vechten handelsoorlog uit, maar met andere middelen

Ver weg, maar voor ons zeer relevant: de Amerikaanse Senaat is hard op weg een wet aan te nemen die China bestraft voor het kunstmatig laag houden van de yuan. Afgelopen maandag besloten de senatoren bij meerderheid om de zogenoemde Currency Exchange Rate Oversight reform Act of 2011 in behandeling te nemen. Vandaag zou er over worden gestemd. Gezien de Democratische meerderheid in de Senaat, die het initiatief nam, mag worden aangenomen dat de wet wordt aangenomen. Dat vervolgens ook het Huis van Afgevaardigden de wet aanneemt is twijfelachtiger. De voorzitter, de Republikein John Boehner, heeft inmiddels al gezegd het idee ‘gevaarlijk’ te vinden. Maar de zeer vocale rechterkant van de partij zou er toch vóór kunnen zijn, en zo klein is de Democratische minderheid in het Huis (44,2 procent) nu ook weer niet.

Het wetsvoorstel is generiek, maar duidelijk gericht op China. Zie een van de criteria: het ophopen van buitenlandse deviezenreserves, dat weinig te raden overlaat over welk land het zou gaan. Deze zomer bereikten de Chinese reserves een waarde van 3.200 miljard dollar.

Nu is er sinds jaar en dag al de mogelijkheid om de Chinezen als valutamanipulatoren aan te wijzen. Die taak valt toe aan het Amerikaanse ministerie van Financiën, dat tweemaal per jaar een rapport uitbrengt. Steeds is er de druk om China te brandmerken, maar steevast wurmt de Treasury zich daar onder uit. De laatste keer was in 1994, al weer zeventien jaar geleden. De nieuwe wet laat minder bewegingsvrijheid. Als China ‘schuldig’ is, dan worden er tarieven worden ingesteld of verhoogd op Chinese import, stopt de Amerikaanse overheid waar mogelijk met de aanschaf van in China gemaakte producten en komen er beperkingen op de financiering van bedrijvigheid in China. Dit alles om Amerikaanse banen te redden, en nieuwe werkgelegenheid te scheppen.

China heeft zijn munt met een zogenoemde crawling peg gekoppeld aan – voornamelijk – de dollar. Peking laat de yuan gestaag appreciëren, maar stopt daar soms mee, zoals tussen oktober 2008 en juni 2010, en erg hard gaat het sowieso niet. Sinds juni vorig jaar is de waarde van de yuan met een kleine zeven procent gestegen, naar 6,38 per dollar. Maar juist nu, misschien als reactie op het wetsvoorstel, stopt China daar weer mee.

Het gaat dus, langzaam en schoksgewijs, de goede kant op. Maar het hele idee dat je Amerikaanse banen redt of zelfs schept met een herwaardering van de yuan grenst aan het onzinnige. Alsof een fabrieksarbeider in de Pearl River Delta die enkele tientallen procenten duurder wordt, het plotseling aflegt tegen zijn tegenhanger uit Pittsburgh. Het ligt eerder voor de hand dat er Chinese werkgelegenheid verdwijnt naar de rest van Azië. Want productieketens zijn zelden nog nationaal. Dat is nóg een reden waarom China niet kan worden geïsoleerd voor vergeldingsmaatregelen.

Het is veel beter China te bewegen ernst te maken met het respecteren van intellectueel eigendom, en het bieden van onpartijdige toegang tot de eigen markt. Dat proces kennen de VS zelf maar al te goed, want in dit opzicht leek de jonge, ambitieuze Amerikaanse economie van de negentiende eeuw sterk op het China van nu. Potdicht en vol na-apers, totdat het eigen bedrijfsleven zelf de ladder van de technologie beklom en er belang bij kreeg het patentrecht te ontwikkelen en af te dwingen.

Het Amerikaanse bedrijfsleven is het eens met deze geleidelijke en vreedzame aanpak, en liet dat deze week ook weten. Maar de politieke dynamiek gaat de andere kant op.

Een van de onderliggende redenen is een inmiddels bekende zwakte in de sociaal-economische architectuur die nu pas naar boven komt: de Amerikaanse samenleving is niet gebouwd voor langdurige werkloosheid. En nu deze om zich heen grijpt, komt de paniek. Zie ook het experimentele monetaire beleid. En de roep om extra economische stimuli bij een begrotingstekort van tegen de tien procent. Alleen al het dreigen om een handelsoorlog te beginnen moet in dit licht worden gezien.

Maarten Schinkel