Wie redt de PvdA?

‘Ploumen treedt af!”Met die kreet, geslaakt door mijn vrouw, werd ik gistermorgen wreed uit mijn slaap gerukt. Zij zat aan de ontbijttafel en las voor uit het Brabants Dagblad, want wij hadden de nacht op Brabantse grond doorgebracht.

„Lijkt me heel goed voor je partij”, kreunde ik, „ik vond die vrouw altijd al zo…onzichtbaar.” Daarna draaide ik me nog eens goed om. Ook zonder Ploumen kan ik prettig dromen.

Het verloop van de dag bracht nadere bijzonderheden. Onze gastheer had op de radio gehoord dat Ploumen Cohen een flinke trap na had gegeven. Mijn vrouw schortte haar oordeel op totdat we in de trein naar huis het Volkskrant-interview met Ploumen hadden gelezen.

Ze keek moedeloos naar buiten waar de Waal onder ons in het grauwe middaglicht bijna uitnodigend stroomde. Ze ging toch niet springen?

„Dom mens”, zuchtte ze. „Openlijk je leider afvallen, terwijl ze zelf nooit iets bijzonders gepresteerd heeft.”

„Allemaal de erfenis van Wouter”, stookte ik. „Pronk mocht vooral geen voorzitter worden. Vervolgens vluchtte Wouter zelf de politiek uit, Job mocht het opknappen tegen Wilders, en de enige die Wilders aankon, Van der Laan, liet hij naar Amsterdam vertrekken. Vier forse stappen naar de afgrond.”

Ze knikte. Het leek wel alsof we op politiek gebied steeds meer naar elkaar toegroeiden – nooit slecht in een huwelijk, maar wel een beetje saai. Verder bleef ze opvallend stil, zodat ik op mijn gemak mijn zelfbedachte Wet Op Falende Organisaties (de Wofo) kon ontvouwen.

Iedere organisatie – of het nou een bedrijf is, een sportclub, een rechtbank of een politieke partij – kan zich maar twee zwakke leiders achter elkaar veroorloven. Hun fouten kunnen een tijd lang worden verdoezeld door de prestaties uit het verleden, maar het bederf is begonnen en woekert, voorlopig onzichtbaar, voort.

In de PvdA begon de neergang bij de steile Melkert, en Bos was te onevenwichtig om dat te kunnen ombuigen. Zo kwam alles op de schouders van Cohen te liggen, die niet op deze last berekend was.

Mijn vrouw keek me sceptisch aan, alsof ze dacht: de Wofo, hoe verzint hij het. Maar ze bleef beleefd – wat iets anders dan onderdanig is – en vroeg: „En wat nu?”

„Alleen een briljante nieuwe leider kan de PvdA nog redden”, zei ik.

Eendrachtig lieten we wat namen de revue passeren. Dijsselbloem? Te veel Melkert. Timmermans? Te weinig persoonlijkheid. Samsom? Te goeie straatcoach. Plasterk? Te nette wetenschapper. Iemand van buiten dan maar, hoewel dat in de praktijk lastig was? Lodewijk Asscher leek de meest getalenteerde, maar hij was nog erg onervaren.

„Guusje ter Horst zou al die kerels in Den Haag goed aankunnen, inclusief Wilders”, zei mijn vrouw, „maar die lijkt opeens niet meer te bestaan in de PvdA.”

„Het is geen gezellige partij”, gaf ik iets te gretig toe, „nooit geweest trouwens.”

„Maar wél een partij die moet blijven”, zei ze. „Wat schiet Nederland ermee op als de PvdA verdwijnt? Zegt het niet álles over het huidige Nederland dat de PvdA meer gehaat wordt dan de PVV? Dat een beschaafde man als Cohen beschimpt wordt en een schreeuwlelijk als Wilders met alles kan wegkomen?”

We naderden Amsterdam, die vermaledijde stad van PvdA, elitaire grachtengordel, linkse kerk en straks ook nog NRC Handelsblad.

„Als alles tegen blijft zitten, beginnen we straks onder de NRC gewoon zo’n schuilkerk van vroeger”, troostte ik.