Verslaafd aan getallen

H et is maandagmiddag, de zon brandt alsof het hartje zomer is. In de tuin storten nectarverslaafde bijen zich op verwarde bloemharten. Ik besluit te gaan skeeleren. Extra grote ronde. Het schaatsseizoen staat voor de deur. De spieren en spiertjes die er toe doen bij de gecompliceerde schaatsbeweging verdienen aandacht. Kan mooi in korte broek.

Wat ben ik toch goed bezig geweest de laatste tijd, gefietst als een dwaas. Ondanks krakende lagers zat er zelfs structuur in de inspanning. Een opbouw. En daarmee is meteen de rand van de gevarenzone gedefinieerd: ben ik een inspanningsverslaafde, of nog net niet? Ik vrees het ergste.

Ten tijde van de cold turkey welke me overviel nadat ik het profpeloton vaarwel had gezegd, bezwoer ik voortaan de rede als leidraad te nemen. Welnu, de rede is droog, relatief en uiteindelijk invalide gebleken.

Natuurlijk neem ik de prachtige route door het bos. Ongevaarlijk is het niet. Het gladde beton van het fietspad langs de Middenpeelweg ligt bezaaid met takjes, eikels, dennenappels, verdorde bladeren, bruine naalden. Op een bankje trek ik voor mijn veiligheid de veters strakker.

Een ouder echtpaar op e-bikes nadert. Ze stoppen. Ik ken hen niet, zij herkennen mij wel. De man slaat meteen een familiaire toon aan. Dat geeft niet. De ex-sporter blijft voor altijd een beetje bezit van anderen. Opeens zegt hij: „Wat is die Gesink een ouwe zeur, hè.” Ha, ik heb met een wielerliefhebber te maken. „O”, zeg ik, „u heeft het interview in de Volkskrant gelezen?”

In de krant klonk Robert inderdaad als een verongelijkt oud wijf. Nog altijd was hij doodziek van al die meningen en meninkjes van anderen die hem menen te kennen. „Als een lamlul” voelde hij zich weggezet in de Tour. Ook, zelfs door zijn ploegleider Van Houwelingen. Hij, Robert Gesink, zou mentaal niet weerbaar zijn? En ook vaker vallen dan de rest? Ammehoela!

Ik voel me geroepen hem te verdedigen: „Ach, die jongen zit al weken met zijn poot in het gips. Die heeft last van een cold turkey.” Ik leg de man uit wat een gebrek aan inspanning in het hoofd van een topsporter kan aanrichten. Hij vindt dit een slappe argumentatie. Nee, het is al veel langer niet pluis in het hoofd van Robert.

Zijn probleem is de rationeel gevoede obsessie, begint de man. Hij is verslaafd aan getallen, aan wattagemeters, hartslagmeters, trainingsschema’s, zuurstoftenten, hoogtestages, aan rode bloedcellen, aan zichzelf. Hij koerst niet, hij traint alleen maar. Hij is de hartslag van de koers kwijt. Ja, in zijn eentje voelt hij zich goed, maar daar gaat het niet om. Hij weet gewoon niet meer wat hij voelt. Dat hij het daar maar eens over heeft. Verder geen kwaad woord over Robert.

„Tja”, zeg ik.