Schreeuw om cultuur echoot eigenbelang

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: zijn de pleidooien voor kunstsubsidie niet vooral gericht op meer geld?

Het was zonnig weer en ik zat op een terras met een goede vriend. We hadden elkaar lang niet gezien, de koetjes en kalfjes waren uit de weg geruimd en nu werd het ineens menens, hij ging me vertellen waar het op stond. „Je wilt iemand zijn, die je niet bent”, zei hij. „Dat is aan alles te merken.” Hij doelde op het zendelingenwerk dat ik verricht voor literatuur en klassieke muziek. „Heb je dat zelf niet door?” vroeg hij ongelovig. Volgens hem luisterde en las en schreef ik niet voor mezelf, maar voor de bühne. Het was een slinkse sociale strategie waarmee ik mezelf binnen kon slijmen in de juiste kringen. Ik was geen connaisseur, maar een poseur. Hij raakte een snaar.

De beschuldigingen aan mijn adres deden me denken aan J.M. Coetzee’s lezing What is a Classic? Daarin beschrijft Coetzee hoe hij als verveelde vijftienjarige ‘bevriest’ wanneer hij in een buitenwijk van Kaapstad plotseling muziek hoort. Hij móet het tot het einde uithoren. Het blijkt het Wohltemperierte Klavier van J.S. Bach te zijn dat hem „dwars door de eeuwen heen” treft. Maar was dit wel een oprechte ervaring, vraagt Coetzee zich decennia later tijdens de lezing af. Was het niet eigenlijk een slimme manier van hem om te ontsnappen aan het deprimerende Zuid-Afrika van de jaren vijftig, om op een pad te komen dat naar Europa zou leiden? Was het niet zelfmisleiding, een „gemaskeerde uitdrukking van een materieel belang”?

Coetzee worstelt met het zelfde verwijt dat ik op het zonnige terras kreeg. Uiteindelijk concludeert hij dat de vraag of hij belang had bij het mooi vinden van Bachs muziek een onbelangrijke is. Het doet er niet toe, zegt hij, want Bach wordt na al die eeuwen nog altijd uitgevoerd. Musici hebben – in een soms fragiele, maar ononderbroken keten – iedere generatie weer hun beperkte aandacht en tijd besteed aan zijn muziek. Je kunt moeilijk zeggen dat Bachs muziek overleeft omdat de noten precies goed staan. Bach overleeft omdat generaties hem de moeite waard vonden. Door deze lange, rigoureuze test rijst de monumentale Bach uit de eeuwen op. Het is een springlevende oude pruikenkop.

Maar de argwaan van mijn vriend – dat ik eigenlijk iets anders deed dan ik zei – tekent de huidige houding ten opzichte van kunst. Mijn smaak is niet alleen verdacht, ook subsidies aan kunst en kunstenaars zijn dat geworden.

In Op Weg naar het Einde (1963), één van de ontroerendste, grappigste, mooist geschreven boeken uit de Nederlandse taal (daar ga ik weer), voorziet Gerard Reve al de zwakke positie van de kunstenaar wanneer de subsidies opdrogen. „Als de overheid zou weigeren kunst te financieren, dan zou ik geen enkel overtuigend argument weten, waarmede zij toch tot subsidiëring zou moeten worden bewogen, want maatschappelijk nut heeft de kunst volgens mij niet [...] Als dan ook de overheid zou zeggen: ‘Verrek en verhonger voor mijn part, ik heb aan jullie geen boodschap’, dan zou ik mij daarbij moeten neerleggen. Maar, om redenen die mij nog steeds niet duidelijk zijn, doet de overheid dat niet.”

Inmiddels doet de overheid dat wél. Kunstenaars raakten in rep en roer. Ze schreven schotschriften en petities, schreeuwden en protesteerden. Ze zochten vooral naar argumenten en ‘grote verhalen’ om te bewijzen dat kunst een algemeen belang dient, zoals uitgaven aan het leger, dijken, politie en rechters dat doen. Deze protesten ronkten van het algemeen belang, maar roken naar eigenbelang. Afbraak van de ‘beschaving’ en ‘vernietiging van de cultuur’, enkel en alleen door minder subsidies?

Tut, tut.

Dachten die kunstenaars werkelijk dat ze noodzakelijk zijn voor democratie, beschaving en wat al niet meer? Het lukte mij niet de pleidooien anders te lezen dan ordinaire pleidooien voor meer geld, vermomd in hoogdravende woorden. „Wat men uit het oog heeft verloren is”, schrijft Reve, „dat een kunstenaar nooit van een regering waardering kan eisen, net zo min als men enig persoon bewondering voor enig kunstwerk kan opdringen. Uit bedoelde zinsneden spreekt twijfel aan, of zelfs geringschatting voor, zichzelf. We hebben geen bewondering of achting nodig, maar Geld.”

Bewondering is niet op te dringen, maar een terughoudendheid in het afbreken misschien wel. Misschien moeten we – met Coetzee – een fundamenteel onderscheid aanbrengen binnen de kunsten. Aan de ene kant zijn er de monumentale kunstwerken die zichzelf hebben bewezen door te overleven – zoals de klassieke muziek, die niet voor niets deze status heeft. Deze is te vergelijken met nationale monumenten, zoals de Amsterdamse grachtengordel. Grachtenpanden – lang geleden gebouwd door onze voorvaderen uit de Gouden Eeuw – zijn niet alleen een bron van trots en nationale identiteit, maar ook van schoonheid die internationaal gewaardeerd wordt (en op de Werelderfgoedlijst geplaatst is). Zo zou de monumentale kunst, die zich bewezen heeft door te overleven, net als de eeuwenoude grachtenpanden, aanspraak op een soort basaal onderhoud moeten maken in tijden van bezuinigingen. Dit conservatisme beroept zich in wezen op een populistisch argument: de stem van generaties heeft het oordeel geveld dat het goed is. Dat kan je het voor de zekerheid maar beter bewaren.

Aan de andere kant staan de scheppende experimenterende kunstenaars. Zij worden niet beoordeeld door populaire smaak en zij hebben niet de kans gehad klassiek te worden door de tand des tijds te doorstaan. Hun merites worden beoordeeld door commissies. En voor de subsidie die zij krijgen, is bij mijn weten geen argument te vinden. Dus beginnen ze over beschaving. En democratie. Alsof dat iets met kunst te maken heeft. Alsof een kunstenaar pas begint aan zijn meesterwerk nadat de overheid met geld over de brug is gekomen.

Kunst is, in tegenstelling tot wat veel professionals beweren, eenvoudig. Het behoeft geen ‘groot verhaal’: het moet raken, boeien, de aandacht trekken. Het moet er met gestrekt been in vliegen, het liefst in je geest, je hart en je maag tegelijk. Coetzee ‘bevroor’ toen hij Bach voor het eerst hoorde en iets dergelijks gebeurt nog altijd bij mij. En laten we wel wezen, pindakaasvloeren, atonale muziek en schilderijen vervaardigd met één kleur doen dat niet. Het overgrote deel van wat er aan kunst gemaakt wordt, is volgens mij waardeloos. En juist door dit oordeel uit de weg te gaan, door commissies hierover te laten beslissen, kortom door kunst niet te testen, niet te kritiseren, wordt zij vanzelf verdacht. Het is een schitterende paradox: het klassieke kunstwerk kan pas ontstaan door eeuwen van rücksichtslos populisme. De aanval op moderne kunst is het begin van haar canonisering. Het enige weerwoord van aangevallen kunstsectoren is daarom niet schreeuwen om bescherming, maar zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen raken.

Keren wij terug naar het zonnige terras, waar mijn pretenties triomfantelijk ontmaskerd werden. Wat ik vergeten was en waar de vriend mij aan herinnerde, is dat literatuur en klassieke muziek voor veel Nederlanders pseudo-intellectualiteit uitwasemen. Ze worden vooral geassocieerd met elitaire mensen, ze zijn toegeëigend door een culturele klasse. Het Concertgebouw is een mijnenveld van sociale conventies die buitenstaanders vrees inboezemen. Zo bezien is het begrijpelijk dat mij verkapt eigenbelang werd verweten: dat verwijt ik namelijk de ontoegankelijke wereld van de moderne en experimentele kunst ook.

Het grootste risico dat Bach vandaag loopt, is dat zijn muziek geassocieerd wordt met pretenties, dat het snobistisch aura afleidt van de inhoud. Ik sluit niet uit dat ik daar aan bijdraag. Daarom werken mijn aanprijzingen misschien wel averechts. Toch kan ik niet anders. Ik moet het evangelie blijven verkondigen. Zo bezien handel ik inderdaad uit eigenbelang. Want behalve Bach luisteren is er weinig zo mooi als zieltjes voor hem te winnen.