Pakistan steunt terugkeer Talibaan

Amerika dreigt Pakistan. Maar dat bereidt zich al voor op diens vertrek uit de regio, betoogt Jan Breman.

De VS en Pakistan liggen op ramkoers. Aanleiding is de overval, een paar weken terug, door de bende van Haqqani op het terrein in Kabul waar de Amerikaanse ambassade en het NAVO-hoofdkwartier zijn gevestigd. De aanval vond plaats vanuit Noord-Waziristan in Pakistan, een onherbergzaam grensgebied dicht bij Kabul waar de Pathaanse krijgsheer Sirajuddin Haqqani zich schuilhoudt.

De Amerikaanse stafchef Mike Mullen heeft bij zijn aftreden de Pakistaanse inlichtingendienst ISI ervan beschuldigd het Haqqani-netwerk aan te sturen in plaats van te bestrijden. Ongetwijfeld een gegrond verwijt dat de militaire machthebbers in Pakistan in grote verlegenheid brengt. Maar die hebben een andere agenda dan de VS. Zij lopen vooruit op het vertrek van de Amerikaanse troepen, de val van het Karzai-bewind die erop volgt en de terugkeer van de Talibaan. In die strategie past de Haqqani-clan van Pathanen, een stamverband waartoe in Afghanistan een groot deel van de bevolking behoort en die zich tegen Karzai en zijn coalitie van niet-Pathaanse krijgsheren keert.

Voor zijn steun aan de westerse belangen heeft Pakistan sinds 1960 75 miljard dollar hulp ontvangen, grotendeels van de VS. Dat bedrag is bijna uitsluitend besteed aan militaire uitgaven. De generaals hebben het al die tijd voor het zeggen gehad.

Pakistan was een trouwe partner van Amerika toen de Sovjet-Unie Afghanistan bezet hield. Een vrijwilligersleger van jihadi’s, zowel betaald als bewapend door de CIA en de Saoedi’s, vocht in Afghanistan tegen de Sovjetbezetters. In die jaren zou president Reagan in het Witte Huis de vader van Sirajuddin Haqqani hebben ontvangen. Zijn roem van ‘belichaamde goedheid’, zoals een Amerikaanse senator deze vrome vrijheidsstrijder prees, duurde zo lang hij voor de goede, dus Amerikaanse kant koos.

Het kan verkeren. Maar het Haqqani-geslacht veranderde niet van koers. De zoon is gebleven wat zijn vader al was, een krijgsheer gepokt en gemazeld in misdadige praktijken: handel in drugs en wapens, ontvoering en vrijlating tegen losgeld, toe-eigening van containers en olietankers uit de transportvloot die de westerse troepen bevoorraden en zelfmoordcommando’s op missie zenden.

Ook de Amerikanen zien dit nu. Dit inzicht achteraf leidt nu tot een breuk in de AfPak-strategie. De woede van de Amerikanen komt voort uit de weigering van hun bondgenoot om de toegezegde hulp – volgens het recente Kerry/Lugar-akkoord ten minste 7,5 miljard dollar voor vijf jaar – te gebruiken waarvoor het bedoeld is: de bestrijding van de vijand.

Maar in de ogen van de Pakistaanse generaals blijft India de vijand en eist het veiligheidsbelang een akkoord met de Talibaan, zeker als die van Pathaanse huize is. De bemoeienis van de Haqqani-bende met het eindspel is geen probleem, want de andere Afghaanse krijgsheren doen in misdadigheid niet voor hen onder. Ook in Pakistan geldt dat elk nadeel zijn voordeel heeft, in dit geval de etnische verwantschap.

Wat de strijd tegen de terreur betreft, rond de tienjarige herdenking van aanslag op de Twin Towers in New York verscheen in de Wall Street Journal een advertentie waarin Pakistan liet weten voor deze zaak grotere offers te hebben gebracht – 30.000 doden die vielen bij aanslagen in de afgelopen jaren – dan Amerika zelf.

Het probleem is dat de AfPak-regie ook aan Amerikaanse kant in militaire handen is. President Eisenhower waarschuwde in zijn afscheidsrede in 1961 voor het militair-industriële complex. De macht daarvan is sindsdien alleen maar toegenomen, om met het duo Cheney-Rumsfeld een climax te bereiken. President Obama heeft niet de ruimte gekregen om de macht van de generaals terug te dringen. Het maakt begrijpelijk waarom de Amerikaanse stafchef, het hoofd van de CIA en de minister van Defensie Pakistan tot een gezeglijker koers manen, zonder een politiek mandaat. Met als dreigement dat de hulpverlening wordt opgeschort als de bondgenoot weigert te doen wat hem bevolen wordt.

Maakt dit argument indruk? Op de Pakistaanse militairen wel, want die kunnen het geld niet missen. Op de gewone man in het geheel niet, want die werd toch al geen cent wijzer van de Amerikaanse hulp. De anti-Amerikaanse stemming in het land wordt gevoed door het besef om in een oorlog verwikkeld te zijn waarin andere belangen vooropstaan dan van het eigen volk.

De verwaarlozing van wat de hoogste prioriteit zou moeten zijn, blijkt ook weer bij de rampzalige overstromingen van de laatste maanden. De ramp heeft vooral de zuidelijke provincie Sindh getroffen. Vijf miljoen mensen zijn van hun huis verdreven. Maar de overheid doet vrijwel niets.

Als de staat zijn onderdanen in de steek laat, waarom zouden die dan volgzaamheid verschuldigd zijn? Religieuze organisaties bieden wel hulp. En met het voedsel dat zij uitdelen, verspreiden zij ook de fundamentalistische leer van de Talibaan.

Wat gedurende jaren voor ontwikkelingshulp is doorgegaan, was de prijs die in geopolitieke onderschikking tot uitdrukking kwam. Onder militaire dictatuur is de Pakistaanse samenleving verregaand ontwricht. De teloorgang van politieke vrijheid en het gebrek aan economische vooruitgang is niet uitsluitend van vreemde makelij, maar wanneer de massa van de bevolking van ruim 180 miljoen zielen is blijven steken in onderworpenheid en armoede, dan ligt bij de westerse bondgenoten een groot deel van de schuld. Die constatering roept op tot herbezinning. Hoe moet het verder met Pakistan? In ieder geval anders dan totnogtoe.

Jan Breman is emeritus hoogleraar sociologie aan het Amsterdam Institute of Social Science Research.