Nieuwe dalai lama

Mevrouw Nienhuys-Cheng schrijft dat de „regels en gebruiken” om een nieuwe dalai lama of panchen lama te vinden zijn vastgelegd in een verdrag uit 1792 tussen China en Tibet (Opinie, 28 september). Dit is minder dan de halve waarheid. In 1720 heeft China Lhasa (Tibet) bezet. Er werden twee zogenoemde Ambanen aangesteld als een soort landvoogden namens China. Die trokken steeds meer bevoegdheden naar zich toe, zoals defensie en de zeggenschap over de benoeming van hoge geestelijke gezagsdragers, zoals de dalai en de panchen lama. Uit die tijd dateert ook het zogenaamde verdrag uit 1792. Er kan voor de tegenwoordige tijd echt geen gezag worden ontleend aan een verdrag dat in 1792 door de bezetters van Tibet aan de bevolking is opgelegd. Net zo min als door de Franse of Duitse bezetters afgedwongen ‘verdragen’ in Nederland nu nog geldig zouden zijn. Naar huidig recht behoort een staat zich bovendien verre te houden van de benoeming van geestelijke leiders. Ook dat is een essentieel onderdeel van de godsdienstvrijheid, zoals bedoeld in art.18 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens. Die is medeondertekend door China, permanent lid van de Veiligheidsraad van de VN.

Charles Boissevain

Leidschendam