Morrende sociaal-democraten

De PvdA zit al zeker tien jaar met zichzelf in de knoop en het ziet er niet naar uit dat de ontwarring nabij is. Partijvoorzitter Lilianne Ploumen heeft haar vertrek aangekondigd en van de gelegenheid gebruikgemaakt door gisteren in de Volkskrant kritische woorden te uiten aan het adres van partijleider Job Cohen. Hij is te weinig zichtbaar in de partij, haalt er niet uit wat erin zit en moet binnen de PvdA een veel prominentere rol spelen. Ook liet Ploumen weten dat ze hoopt op tegenkandidaten bij de verkiezingen voor het lijsttrekkerschap, zodat Cohen die positie niet opnieuw automatisch verkrijgt.

Nu hoort dat laatste in een democratische partij inderdaad niet vanzelfsprekend te zijn. Maar met deze uitlating illustreert de partijvoorzitter wel het ongenoegen dat zij voelt over het functioneren van Cohen. Al schaart ze hem op de website van de PvdA toch in een rijtje prominente partijleiders tot wie ze verder Willem Drees, Joop den Uyl, Wim Kok en Wouter Bos rekent. Wie eigenlijk niet, is een vraag die dan opkomt.

De kritiek van Ploumen is kwestieus. De primaire taak van Cohen is in Den Haag gesitueerd: de Tweede Kamerfractie leiden en het kabinet controleren. Als leider van de grootste oppositiepartij ligt het op zijn weg om het alternatief voor het kabinetsbeleid te formuleren. Hij slaagt er inderdaad onvoldoende in daarmee indruk te maken.

Maar voor zover het om het interne partijdebat gaat en de organisatie die daarbij hoort, is het logisch dat de partijvoorzitter het voortouw heeft. Zeker zolang Nederlandse partijen de gewoonte hebben de functies van partijvoorzitter en partijleider te scheiden. Dat enkele partijafdelingen vorige week bekendmaakten zelf initiatieven te zullen nemen om het debat over de toekomst van de PvdA meer handen en voeten te geven, duidt op onvrede in dit opzicht over het partijbestuur.

Nu is de belangrijkste oorzaak van het interne gemor zonder twijfel het slechte resultaat van de PvdA bij de verkiezingen van vorig jaar en de nog slechtere peilingen van de laatste tijd. Het is voor sociaal-democraten in Nederland maar ook elders in Europa pijnlijk dat zij voor kiezers blijkbaar niet het alternatief zijn in een tijd waarin kwalijke uitwassen van het kapitalisme en/of neoliberalisme zicht- en voelbaar zijn. De PvdA worstelt nog altijd met de keuze of zij een partij moet zijn die ietwat links van het midden staat, met uitzicht op regeringsdeelname, of veel meer de linkerflank moet opzoeken, waar de SP is gepositioneerd.

Ploumen kondigt aan dat ze de periode die haar resteert als voorzitter, tot januari, zal investeren in „links-progressieve samenwerking”. Andere min of meer linkse partijen zullen zich herinneren dat de PvdA zich bij zulke initiatieven gewoonlijk van haar meest opportunistische kant laat zien.