Mijn eerste liefdesscène

In ‘Johnny English Reborn’ keert komiek Rowan Atkinson terug als misplaatst arrogante stuntelspion. ‘Elke film kost me drie jaar van mijn leven.’

Johnny English is niet alleen maar om te lachen, zegt Rowan Atkinson – de man die met de heren Bean en Blackadder twee figuren heeft gecreëerd om wie onbedaarlijk is gelachen. „Een comedythriller”, noemt hij Johnny English Reborn, zijn tweede film over de danig van zichzelf vervulde geheim agent die zich struikelend een weg baant door een James Bond-achtige wereld van internationale complotten, moord, macht en mooie vrouwen.

Maar in de Amsterdamse hotelkamer waar hij interviews geeft over die film, is hij de eerste om toe te geven dat comedy en thriller zich doorgaans lastig laten verenigen. Te veel comedy haalt de spanning weg, en bij te veel spanning blijft er vrijwel geen comedy meer over.

„De laatste decennia zijn er weinig comedythrillers meer gemaakt”, beaamt hij. „Juist omdat het zo moeilijk is, denk ik. Mij schiet nu To catch a thief te binnen, van Hitchcock, uit de jaren vijftig. Grace Kelly en Cary Grant aan de Côte d’Azur. Niet echt een comedy, maar wel vol gevatte dialogen. De allereerste Pink Panther, met David Niven, uit de jaren zestig is misschien een beter voorbeeld.

„De eerste Johnny English-film, uit 2003, was een pure parodie op het James Bondgenre. Voor mij is een vervolg pas interessant als ik denk dat er in zo’n personage nog groei zit. Dat zie ik niet meer in Blackadder of Mr. Bean, maar wel in Johnny English. Ik wilde dat hij geloofwaardig zou zijn, en dat het publiek zou kunnen meeleven met wat hem overkomt.

„Het moest de moeite waard zijn hem een wederopstanding te bezorgen, in een verhaal dat de aandacht vasthoudt – ook als er af en toe geen grappen worden gemaakt. En omgekeerd mocht het verhaal niet tot stilstand komen omdat er zo nodig een grappige scène moest komen.

„Ik geloof wel dat het ons enigszins is gelukt die twee elementen in evenwicht te houden. Zondagavond, tijdens de Londense première, betrapte ik me er zelfs op dat ik als toeschouwer zat te hopen dat Johnny English in zijn missie zou slagen. Terwijl ik alles al honderden keren had gezien en uiteraard ook wist hoe het afliep. Dat moet een goed teken zijn. Maar ik vermoed ook dat er nog wel meer groei in hem zit. Hij zou misschien nog wel eens een derde film kunnen maken.”

Johnny English Reborn werd geschreven door de komiek Hamish McColl, die ook de scenarist van de bioscoopfilm Mr. Bean’s Holiday was, en geregisseerd door de in dit komische genre debuterende Oliver Parker. Maar wie Rowan Atkinson erover hoort praten, krijgt niet de indruk dat hij zijn eigen bemoeienis beperkt tot het spelen van de hoofdrol.

„Wat dit werk voor mij interessant maakt”, zegt hij, „is dat ik intensief betrokken ben bij alle fasen van het proces, vanaf het schrijven van het script tot en met de montage en de muziek en het geluid. Dat verklaart ook waarom ik zo kieskeurig ben: zo’n film kost me twee, drie jaar van mijn leven. Dat is onvergelijkbaar met andere acteurs die gewoon naar de set komen om hun rol te spelen en na de opnamen weer iets anders gaan doen. Zij werken twee, drie maanden aan een film.

„Als ik bedenk hoe ver mijn bemoeienissen gaan, zou ik mezelf op de titelrol veel meer credits kunnen geven. Ik zou mezelf bijvoorbeeld best ook executive producer kunnen noemen. Maar ik hou niet zo van het gestrooi met zulke titels. Ik heb, geloof ik, niet veel last van ijdelheid. Als je mij tijdens de montage bezig zou zien, zou je misschien opvallen dat ik altijd over mijn personage in de derde persoon spreek. Dan vraag ik de editor: heb je nog een shot waar Johnny net iets eerder wegloopt? En: zou dat niet net iets beter zijn? Het is niet in het belang van de film als ik zo veel mogelijk in beeld ben. Het is wél in het belang van de film als ik zo góéd mogelijk in beeld ben.”

Zo bezien valt te verwachten dat hij een volgende film ook zelf gaat regisseren. Daarvan is Atkinson echter niet overtuigd, antwoordt hij: „Ik heb wel een regisseursoog. Ik weet hoe het werkt. Als de regisseur de man is die datgene tot stand brengt wat hij graag op het witte doek zou willen zien, zou ik waarschijnlijk wel regisseur kunnen zijn. Maar wat me ervan weerhoudt, is het feit dat ik het dan te stellen krijg met acteurs. Dat lijkt me een gecompliceerde bezigheid. En ik zou in elk geval nooit mezelf kunnen regisseren, zoals Woody Allen. Dat talent heb ik niet.

„Wat ik anderzijds wel heb moeten afleren, is het geven van aanwijzingen aan acteurs met wie ik een scène speel. Ik doe mijn best om niet in die fout te vervallen. Als ik iets op een acteur heb op of aan te merken, doe ik dat via de regisseur. Zo hoort het.”

Wel omlijnde plannen voor een volgende film zegt Rowan Atkinson nog niet hebben: „Mijn agenda is leeg. Het enige waarover serieus wordt gepraat, is een toneelstuk waarin ik volgend jaar wil spelen.” Zijn laatste theaterrol dateert van 2009, toen hij alom de aandacht trok als Fagin, de baas van de zakkenrollertjesbende in een nieuwe Londense productie van de musical Oliver! „Dat vond ik minder vreselijk dan ik vooraf had gedacht”, luidt zijn commentaar. „Ik wilde die rol graag spelen, maar vreesde voor de musicalpraktijk: acht voorstellingen per dag, in mijn geval zeven maanden lang. Maar het viel mee. Ik stond in een goede voorstelling die me lang genoeg bleef inspireren.”

En televisie? „Dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb niets onderhanden. Het is nu veel moeilijker voldoende geld te vinden voor een goede serie dan het in mijn begintijd was. Alles moet goedkoop. Mr. Bean en Blackadder waren óók niet duur, maar toch duurder dan het amusement dat je nu overal ziet: een paar stand-up comedians achter een bureau. Daar is niet tegenop te budgetteren.”

Nog één keer terug naar Johnny English Reborn, waarin de held nu zo menselijk is geworden dat hij ook zijn eerste liefdesscène te spelen kreeg. „Ja, dat was mijn eerste filmkus”, zegt Rowan Atkinson met een monkelend grijnsje. „We hoopten dat Johnny English nog geloofwaardiger zou worden als hij verliefd werd – en tegelijk vonden we ook dat het wel iets grappigs had. Maar we hebben Rosamund Pike, die mijn tegenspeelster was, het initiatief tot die kus laten nemen. Als ik dat zelf had moeten doen, had ik er veel meer moeite mee gehad.”