De PvdA heeft de tijd tegen

Partijvoorzitter Lilianne Ploumen stapt op. Partijleider Job Cohen heeft veel kritiek gekregen – vooral van Ploumen. Zelfs PvdA’ers worden moedeloos van hun partij. De plagen die de partij teisteren, zullen niet snel verdwijnen. De PvdA heeft ze niet gecreëerd, en zal ze ook niet alleen te lijf kunnen. De vijf belangrijkste op een rij.

Probleem 1 voor de partij: de individualisering

Een paar feiten: aan bezoekjes aan de medemens besteden Nederlanders vandaag de dag 20 procent minder tijd dan in 1975. Religieus Nederland zoekt naar een individuele, innerlijke god, zegt het Sociaal en Cultureel Planbureau: de kerken lopen nog altijd gestaag leeg. En in de VS hebben begrafenisondernemers hun nood geklaagd: dochters en zonen willen de begrafenis van hun ouders nog wel betalen, maar ze zeggen de tijd niet te hebben de plechtigheid bij te wonen.

Kortom, in de westerse wereld viert het individualisme hoogtij.

Dat betekent tegelijkertijd dat sociaal-democraten een probleem hebben. Want wie vooral geeft om het eigen welbevinden, kan minder energie opbrengen voor solidariteit met anderen.

PvdA’ers zien dit probleem ook. Een tekenend voorbeeld leverden Wouter Bos en Ruud Koole toen zij nog partijleider (Bos) en partijvoorzitter (Koole) waren. Ze werkten samen aan een nieuw PvdA-beginselprogramma en kregen woorden. Ze waren het erover eens dat het woord „vrijheid” in de eerste zin van het programma moest komen. Maar „gelijkheid” dan? Moet erin, zei Koole. Helemaal niet, vond Bos. Dat woord was van een PvdA’er uit een vorige tijd.

Historicus Rob Hartmans, auteur van het boek Lang leve de linkse kerk, schetst de problematiek. De Partij van de Arbeid, schrijft hij, heeft in de jaren zestig radicaal ingezet op de ontplooiing van het individu. Daaruit volgt logischerwijs een rechtse kijk op de wereld, waarin de gemeenschap het moet afleggen tegen ieders welbegrepen eigenbelang. „Nu zitten ze met de gebakken peren. Eerst heeft de partij meegeholpen aan het creëren van een hele generatie individualisten. En nu hopen ze dat die zich allemaal weer verenigen achter waarden als gemeenschapszin en solidariteit”, aldus Hartmans.

Probleem 2 voor de partij: politiek is theater geworden

Zuilen en levenslange partijtrouw: ze bestaan nauwelijks meer. Dus zijn politici gedwongen hun kiezers telkens opnieuw te verleiden. Niet alleen in campagnes, óók tijdens hun werk in de Tweede Kamer. Die is daardoor steeds minder een vergaderzaal waar partijvertegenwoordigers beleid maken dat in achterkamertjes met hulp van argumenten, onderzoeksrapporten en belangenafwegingen vorm heeft gekregen.

Nee, het is een theater geworden. In de voorstellingen – zeker als ze live op tv te volgen zijn – laten politici zien waar ze staan. Ze zwaaien er met hun vaandels, doen hun kunstjes en vernederen hun tegenstander in pakkende oneliners.

Het doet er daarbij steeds minder toe hoe zij de uitgedragen standpunten proberen om te zetten in beleid waarbij hun kiezers daadwerkelijk baat hebben. En misschien doet dat er wel toe, maar het is geen garantie meer voor steun van die kiezers.

Wat biedt die garantie wel? Zeggen wat kiezers al dachten. Daar scoor je mee, zien ook politicologen in hun kiezersonderzoeken. Zij spreken van ‘expressieve politiek’. Dit in tegenstelling tot ‘instrumentele politiek’ – plannen omzetten in beleid. De laatste jaren drukt de expressieve politiek de instrumentele verder weg. Anders gezegd: PVV en SP komen op, de traditionele middenpartijen verliezen kiezers.

Het beeld van de plenaire zaal iedere dinsdagmiddag bij het vragenuurtje, bevestigt deze tweedeling. Op de vleugels zitten de Kamerleden van PVV en SP. Daar zijn nagenoeg alle stoelen bezet. In het midden van het halfrond, waar de leden van de gevestigde partijen zitten, gloort het blauw van lege stoelen. Hun leden zijn druk bezig oude politiek te bedrijven in de wandelgangen. Het theater is voor de nieuwe politiek.

Als er nu verkiezingen zouden worden gehouden, halen CDA en PvdA volgens de peilingen samen nog maar dertig zetels. In de jaren tachtig waren dat er meer dan honderd.

Probleem 3 voor de partij: de globalisering

Op de Dag van de Arbeid klinkt De Internationale overal: het socialisme kent geen grenzen. Toch wringt er iets. Want júíst binnen de sociaal-democratie woedt al langer een hevige strijd tussen hen die mondialisering prijzen en hen die haar vrezen.

PvdA-denker René Cuperus spreekt in zijn boek De wereldburger bestaat niet van ‘globaliseringswinnaars’ en ‘globaliseringsverliezers’. De eersten zitten bij partijen als GroenLinks, D66 en, in mindere mate, de VVD. Zij pleiten voor allerhande hervormingen. De anderen stemmen PVV en SP. Zij strijden voor het behoud van de verworvenheden van de verzorgingsstaat.

Deze scheidslijn, die ongeveer parallel loopt aan die tussen hoger en lager opgeleiden, wint aan politieke betekenis. Dat was te zien bij de laatste verkiezingen voor het europarlement. Alleen D66 en GroenLinks zeiden onvoorwaardelijk ja tegen vergaande Europese integratie. En alleen PVV en SP zeiden voluit nee. PvdA, CDA en VVD zeiden: ja, mits. Of: nee, tenzij. De PvdA verloor de helft van haar Europese zetels. Begrijpelijk, want de PvdA probeert de winnaars én verliezers van de globalisering te binden. Ze weigert te kiezen, wat gezien haar historische wortels begrijpelijk is; de PvdA is een partij met een internationalistische ideologie, waarin grenzenloos denkende, hoog opgeleide leiders het opnemen voor minder fortuinlijke, lager opgeleide kiezers.

Maar dit maakt wel kwetsbaar, al was het maar omdat hierbij paternalisme komt kijken. Dat ligt tegenwoordig niet goed meer. Kiezers zoeken niet altijd meer naar politici die hun belangen goed behartigen, maar die op hen lijken. En zéker over de bedreigingen uit het buitenland moeten die ook dezelfde dingen zeggen als zij, in café of op verjaardagsvisite.

Probleem 4 voor de partij: de woede-democratie

Hoe reageerde Job Cohen op de kritiek van afzwaaiend voorzitter Lilianne Ploumen? Hij was het er niet echt mee eens. Tegelijk zei hij: „Inderdaad, het gaat nog niet goed genoeg met de PvdA”. En: „Ik ga met de kritiek aan de slag.”

Dit is een alleszins redelijk antwoord. Maar het is ook een antwoord dat de emotionele band met kiezers niet verstevigt. Geert Wilders lijkt dat beter te hebben begrepen: of je zegt dat iemand kul verkoopt of je houdt je mond. Maar het liefste dat eerste.

Onderzoek van Eelco Snip (Vrije Universiteit) bevestigt dat. Hij zag dat lezers van de site nu.nl aanzienlijk vaker artikelen aanklikken waar de woede al in de kop staat. Snip zegt het keuriger: kiezers voelen zich aangetrokken tot artikelen waarin „affectieve werkwoorden in de titel staan”. Zoals hekelen of vrezen. En bijvoeglijke naamwoorden als woedend en blij. Emotieneutrale woorden scoren slecht.

Kortom, de politicus die aandacht wil, moet van zijn hart geen moordkuil maken. Elf jaar geleden beweerde de Vlaamse wetenschapper Mark Elchardus al dat we in een ‘dramademocratie’ zijn beland. Inmiddels heeft de PvdA zich te midden van al dat drama steeds meer opgeworpen als de hoeder van het fatsoen. Cohen is de belichaming daarvan. En ja, hij zal zeker een paar kiezers hebben gewonnen die niet zo houden van de groeiende opwinding op het Binnenhof. Maar die ontwikkeling kan hij niet stoppen, die is groter dan de partijen zelf.

Uiteindelijk, zo erkennen ook PvdA’ers in Den Haag, is fatsoen geen goede strategie voor een van oorsprong revolutionaire partij die haar bestaansrecht dankt aan een strijd tegen de gevestigde machten. Zo’n partij kan het nu eenmaal niet alleen hebben van de nationale boekhoudkunde die de politiek in de jaren negentig dreigde te worden.

Kiezers zijn niet te binden met uiteenzettingen over koopkrachtplaatjes, zelfs niet als die kiezers baat hebben bij alle aandacht voor hun materiële welzijn. In een samenleving waarin de politiek leeft, verliest de wat technocratische bestuurder het uiteindelijk altijd. Cijfers alleen zijn geen argumenten. Met andere woorden: óók Cohen moet aan de pakkende oneliner.

Probleem 5 voor de partij: de emancipatie

De Nederlanders voor wie de PvdA vroeger streed, bestaan niet meer. De downtrodden masses hebben nu veelal een auto, een vast contract, jaarlijkse gegarandeerde vakantiedagen, zwangerschapsverlof, een goede zorgverzekering. Hun kinderen kunnen naar de school die ze willen, met dank aan de PvdA.

Gevolg? De partij vraagt niet langer om solidariteit ten behoeve van deze kiezers, maar vraagt hun juist wat van al die verworvenheden op te geven, uit solidariteit met het lot van anderen. Armeren in andere landen, toekomstige generaties; groepen die niet op de PvdA kunnen stemmen – electorale winst is er niet te halen. Alleen allochtonen zien nog dat de PvdA zich hun worsteling om te emanciperen aantrekt: zij stemmen nog in groten getale op de partij. Maar verder? Zelfs de emancipatie lijkt zo’n beetje voltooid.

Opvallend genoeg heeft Job Cohen deze analyse zelf gemaakt, in een lezing opgenomen in zijn boekje Binden. Daarnaar gevraagd, enkele maanden voor zijn partijleiderschap, zei hij: „Wat overblijft is de rechtsstaat. En rechtsstatelijke bescherming van burgers. Daar moet de PvdA zich hard voor maken.”

Ook dan gaat het om het behoud van het bestaande, niet om het gevecht voor een andere, betere wereld. Het illustreert de ‘omkering van fronten’ die historici waarnemen. Zoals het verwijt dat de huidige PvdA te regentesk opereert. In de jaren zeventig was dat nu juist het verwijt dat PvdA’ers aan rechts maakten. Die ironie is historicus Henk te Velde niet ontgaan. Hij verbaast zich erover hoe de maakbaarheidsgedachte van links naar rechts is gegaan. „De PVV zal de samenleving wel even verbouwen. De PvdA zegt daarop: maar dat kan toch helemaal niet.”