De pijn van de almaar dalende winstbelasting

In het jaar 2000 kon het links-liberale kabinet-Kok zijn uitgaven voor bijna 11 procent financieren met de opbrengst van de vennootschapsbelasting, dat is de belasting op de winst van bedrijven.

De winstbelasting leverde toen 16,7 miljard euro op.

Voor 2012 rekent het rechts-liberale kabinet-Rutte op een opbrengst van 15,9 miljard. Nu is de vennootschapsbelasting nog maar goed voor een ‘dekking’ van amper 6 procent van de rijksuitgaven.

Wat is mis gegaan? Zijn bedrijfswinsten ingestort? Heersen hier ‘Griekse toestanden’ waarin ambtenaren liever formulieren verbranden dan belasting innen?

Het eerste verschil is de economie. Het jaar 2000 was een haussejaar. Nu dreigt de economie te stagneren na een paar intens wisselende jaren: voorspoed tot en met 2008, een grote terugval in 2009, herstel in tweede helft 2010 doorlopend naar de eerste zes maanden van dit jaar. De winstgevendheid ligt nu iets boven het gemiddelde van de afgelopen dertig jaar, concludeert het Centraal Planbureau (CPB).

De winsten van de bedrijven exclusief banken en verzekeraars hebben zeker te lijden onder de crisis. Maar de hoogte van hun winsten is nog comfortabel.

Banken profiteren juist volop van de crisis die zij zelf veroorzaakten. Zij zeggen tegen bedrijven en consumenten dat zij meer geld moeten betalen voor kredieten en woninghypotheken, omdat de risico’s zijn gestegen, terwijl banken zelf voor historisch lage tarieven geld kunnen aantrekken.

De primaire oorzaak van de terugval van de bijdrage van de ondernemingswinsten aan de overheidsuitgaven is een stilzwijgende schok. Die zit in de spectaculaire verlaging van het tarief op de vennootschapsbelasting, van 35 procent in 2000 naar 25 procent nu. Dat is een reductie van per saldo bijna 29 procent.

De verlaging weerspiegelt de gegroeide politieke macht van het bedrijfsleven en de effectieve lobby van bijvoorbeeld werkgeversorganisatie VNO-NCW. Het bedrijfsleven is minder melkkoe en meer banenmachine. Een verlaagd winstbelastingtarief is een effectieve manier voor landen om nieuwe bedrijven te trekken en bestaande te houden. Dat is praktische ideologie. Dankzij de liberalisering van kapitaal- en arbeidsmarkten in elk werelddeel en de stijgende kennis- en opleidingsniveaus kunnen ondernemingen daar produceren waar zij het liefste willen. Dichtbij hun afnemers. Of dichtbij de grondstoffen. Of dichtbij de kennis- en onderzoeksinstituten. Of dichtbij de lage lonen.

Hogere winstbelastingen passen niet in de dominante liberale filosofie van deze tijd. In de kabinetsplannen voor begroting en belastingen waarover de Tweede Kamer vandaag en morgen debatteert, komen zij niet voor.

Waarom eigenlijk niet?

Eerst de banken en verzekeraars. De redding van de financiële sector in 2008 en 2009 heeft de overheidsschulden schrikbarend opgedreven. In de beantwoording van Kamervragen rept het kabinet van extra jaarlijkse rentekosten van 1,3 miljard euro. De bankbelasting die daar nu tegenover komt te staan is een lachertje: 300 miljoen euro opbrengst. Zelfs als je het tussentijds dividend van staatsbank ABN Amro (200 miljoen) meeteelt, kiest het kabinet voor een fluwelen aanpak.

Ten tweede: de overige bedrijven. De redding van de euro (en vooralsnog van Griekenland) is omwille van de export en de investeringen een prioriteit voor het bedrijfsleven. VNO-NCW zegt het zelf. Dan is het logisch dat bedrijven via een opslag op de vennootschapsbelasting meebetalen.

Menno Tamminga