'De Dood zat in u en ge wist het niet'

Weer en wind deden de grafsteen van Albert Verwey (1865-1937) op de Algemene Begraafplaats in Noordwijk aan Zee in drie grote stukken breken. Mos bedekte de naam van de Tachtiger. Het Fonds ‘Perzik van Onsterfelijkheid’ liet de steen restaureren. Vandaag wordt die onthuld.

Nederland Noordwijk aan Zee. 22 maart 2010. Algemene Begraafplaats. Grafsteen van de schrijver Albert Verwey. BamBam steenhouwers en -restaurateurs. In opdracht van Koninklijke Boekverkopersbond en Prins Bernhard Cultuurfonds, die tesamen fonds 'Perzik van Onsterfelijkheid' hebben ingesteld. Doel: behoud, herstel en instandhouding graven van Nederlandse schrijvers, alsmede grafmonumenten en tekens. Het graf van Verwey is het eerste in een rij. Foto: Werry Crone Werry Crone

„Nee, dat is niet best.” De grafdelver schudde zijn hoofd toen hij zich in de lente van 2009 over het gebarsten graf van Albert Verwey boog. Zijn stem piepte en knarste als de oude stoomtram die in de tijd van Verwey langs Villa Nova, des dichters statige huis op het duin, over de Nieuwe Zeeweg reed. In de keel van de doodgraver zat een plastic klepje. Lachend wees hij op het glanzende, brede graf een paar plaatsen verder. Daar ligt Alfred Heineken. „Je kunt”, piepte en knarste het, „beter drinken dan schrijven.”

Het is de vraag of dat waar is. In elk geval heeft Albert Verwey een vruchtbaar leven gehad in Noordwijk. Samen met zijn vrouw, Kitty van Vloten, was hij in 1890 in het kustdorpje komen wonen. Verwey had de rust gezocht na een turbulente periode in zijn leven. In Amsterdam was de meubelmakerszoon vers van de hbs terechtgekomen in het gezelschap van een groepje getalenteerde bohémienkunstenaars, die later bekend werden als ‘De Tachtigers’. In 1885 had hij met Willem Kloos het tijdschrift De Nieuwe Gids opgericht, dat de rijmelarij van de oude, eerbiedwaardige Gids moest verpulveren.

De opzet slaagde, al trok de strijd ook diepe sporen in hun eigen ziel. Tussen Kloos en Verwey bloeide aanvankelijk ‘de liefde die vriendschap heet’. Maar toen Verwey aankondigde met Kitty te gaan trouwen, verbrak Kloos jaloers de vriendschap. Die breuk zou nimmer worden geheeld.

De vlucht van Verwey betekende allerminst dat de dichter zich al bij leven in het duinzand wilde begraven. Vanuit Noordwijk onderhield Verwey contacten met talloze kunstenaars in binnen- en buitenland. In Villa Nova – dat tjokvol boeken stond en waar schilderijen van Israëls, Toorop en Breitner aan de wand hingen – logeerden Lodewijk van Deyssel, de schilder Floris Verster en de Duitse dichter Stefan George. Als redacteur van zijn eigen tijdschrift, De Beweging, essayist en later als ‘prefester’ in Leiden vormde Verwey decennialang een spil in de letteren.

Hij zou Noordwijk nooit meer verlaten. Verwey woonde er de laatste 47 jaar van zijn leven. Samen met Kitty voedde hij er zijn zeven kinderen op. Twee jaar na zijn afscheidsrede aan de Leidse Universiteit in 1935 begaf zijn hart het. Op de ochtend van de achtste maart 1937 had Verwey aan de koffietafel nog een opgewekt gesprek gevoerd met zijn vrouw en dochter Liesbet.

Plots werd hij getroffen door een hevige vlaag van pijn in zijn borst. Hij strekte zich uit op bed om even te gaan liggen. „Voor een ogenblik van rust, meende hij”, staat er in Maurits Uylderts biografie van Verwey. „Het was geen ogenblik, maar eeuwigheid.”

Zo werd Verwey overvallen door ‘Een plotselinge dood’, zoals de titel luidt van een gedicht in zijn laatste bundel, In de koorts van het kortstondige: ‘De Dood zat in u en ge wist het niet / Hij scherpte ’t mes al en ge wist het niet.’

De dichter werd opgebaard in de kinderkamer van Villa Nova. Naast zijn schijnbaar slapend hoofd een bloesemtak. Drie dagen later werd hij het huis uitgedragen en langs de bosrand onder grote belangstelling naar de Algemene Begraafplaats van Noordwijk gebracht. Zijn graf lag nog geen achthonderd meter van zijn werkkamer. Om enkele minuten over één kwam de stoet aan bij de open groeve.

Het was een sombere dag, de elfde maart. Het dooide onder een grijze, winderige hemel. Grote vlokken natte sneeuw dwarrelden op de kist. Martinus Nijhoff stelde zich in een gedicht voor hoe de geest van Verwey dit allemaal bekeek vanachter het venster van zijn werkkamer: ‘O, sneeuw, wees smetteloos, en gij, mijn naam, / wees op mijn graf zo smetteloos als sneeuw’.

Nu zijn steen is geheeld, ligt de naam van Albert Verwey er weer smetteloos bij.