De Arabische Lente kan in een catastrofe eindigen

Ineens is de Syrische dichter Adonis favoriet voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Lang streed hij tegen het regime in Syrië. Maar nu er opstand is, is hij „vreselijk bang” voor de toekomst van zijn land.

Adonis, the Syrian-born poet and perennial Nobel favorite, in Anne Arbor, Mich., Oct. 11, 2010. Adonis has a new volume of selected poems and will read at the 92nd Street Y in New York on Oct. 25. (Fabrizio Costantini/The New York Times) FABRIZIO COSTANTINI / New York>

‘Duizendmaal excuus, ik ben onze afspraak helemaal vergeten, dat krijg je er nu van als je afspraken maakt terwijl je je agenda niet bij je hebt.” Inderdaad belde ik Adonis de eerste keer toen hij op vliegveld Charles de Gaulle in Parijs stond, en daarna op een vliegveld van Beiroet. Nu zegt hij: „Neem een taxi en kom naar mijn kantoor, ik heb een half uur voor u.”

Het uiterst chique kantoorpand waarin de Syrisch-Libanees-Franse dichter resideert en zijn humanitaire stichting Fondation Quarante heeft ondergebracht, past niet bij het beeld dat je van een poëet hebt. Een reeks strak ingerichte, verblindend witte hightechkantoren, bevolkt door besnorde Arabische zakenmannen. Adonis – klein, grijs, vriendelijke ogen – zit te bellen, praat hard in het Arabisch, laat een filmploeg uit, omhelst me en passant alsof we oude vrienden zijn, laat koffie komen, biedt koekjes aan en belt ondertussen verder. Dan legt hij de telefoon neer, gaat zitten, schakelt over op een fluisterend Frans en lijkt een ander mens te worden. Sinds hij de dag ervoor door de Britse bookmakers is getipt als dé Nobelprijskandidaat staat de ene na de andere cameraploeg voor zijn deur, zegt hij, doodvermoeiend.

Adonis (1930), die onlangs in Frankfurt de Goetheprijs kreeg, wordt niet alleen in de Arabische wereld maar ook in het Westen als de grootste levende Arabische dichter beschouwd. Hij vernieuwde de traditionele Arabische poëzie en pleit in zijn werk voor tolerantie, dialoog tussen Oost en West, vrijheid van meningsuiting, gelijkheid tussen man en vrouw. Lang gold hij als de Arabische stem van de revolutie, voor hoop en verandering. Inmiddels ligt dat wat ingewikkelder. Zijn zuinige enthousiasme over de beginnende Arabische lente in zijn geboorteland, Syrië, wordt hem door sommigen niet in dank afgenomen. Zodanig zelfs dat jongere literaire collega’s, zoals de Syrische romanschrijfster in ballingschap Maha Hassan, het „een schande” zouden vinden als Adonis de Nobelprijs zou worden toegekend.

U bent geboren in een klein dorp in Syrië, tot uw dertiende bent u nooit naar school geweest, had u nooit een auto gezien, wist u niet wat elektriciteit was. Toch schreef u gedichten en wilde u maar één ding, dichter worden. Met welke poëzie bent u opgegroeid?

„Ik ben opgegroeid in een cultureel milieu waar het individu geen plaats had. Het enige wat er bestond was de familie. Ik had geen speciale, individuele band met mijn ouders, niemand had dat. Zodra ik kon lopen, werkte ik op het land. Mijn moeder kon lezen noch schrijven. Mijn vader was een gecultiveerd man, hij heeft me ingewijd in de poëzie van vóór de islam en in de mystieke poëzie. Het poëtische probleem is er altijd een van de vorm, van de taal. Inhoudelijk gezien is de dichter geen schepper: de liefde, de dood, de natuur zijn er gewoon. Wat de dichter doet is zijn visie daarop verwoorden, hij legt ons uit hoe zijn ervaring is met de liefde, de dood, de natuur. Een nieuwe ervaring vraagt om een nieuwe vorm. Een nieuwe vorm moet je bedenken, hij is organisch verbonden met de nieuwe ervaring.”

Dat gaat op voor alle dichters.

„Wij, Arabische dichters, hebben het wat dat aangaat net zo gedaan als westerse moderne dichters als Rimbaud en Mallarmé. Maar er was wel een verschil: wij hadden te maken met de cultuur van het regime en die berust op de macht van de religie. In de Arabische wereld is de politiek met de religie verbonden. De cultuur van het lezen wordt gevormd door het traditionele, repetitieve lezen van de religieuze teksten. De religie vormt je identiteit. Als je je daaraan onttrekt, word je bestempeld als destructief, anti-religieus, antinationalistisch. Dat is heel gevaarlijk. Hoe de literatuur, de filosofie, de creativiteit los te maken van de religie, dat was ons probleem. En dat is het nog steeds.”

Wat geldt voor dichters, geldt in bredere zin voor de Syrische maatschappij?

„Je kunt geen nieuwe maatschappij vormen gebaseerd op democratie en recht, als je die niet kunt scheiden van de religie. In de Syrische Arabische lente heeft niemand het daar tot nu toe over gehad. De mentaliteit bij ons is dat je met de machthebber te maken hebt en dat daar niets aan te doen is. Dat kan niet meer. Twee eeuwen lang heeft het ene regime het andere opgevolgd en nooit is er iets veranderd. Om een maatschappij echt te hervormen moet je de instituties veranderen, op het gebied van onderwijs, economie, sociale voorzieningen. Dat probleem heeft Europa achter zich gelaten, in Europa hebben de revoluties al plaatsgevonden. Staat en religie zijn gescheiden, er is laïcité.”

Over de Syrische lente wil Adonis liever niet praten. „Wat ik daarvan vind gaat toch niet de geschiedenis in.” Maar waarom omarmt hij de opstand niet volledig, hij, de dichter die altijd het symbool van hoop op verandering is geweest? In artikelen waarschuwde hij voor Iraakse toestanden en verklaarde nooit een beweging te kunnen steunen die vanuit de moskee werd gestuurd. In een column betitelde hij Bashar al-Assad zelfs als een ‘gekozen’ president.

Moet u de opstandelingen niet juist een hart onder de riem steken?

Adonis grijpt naar een notitieblok en consulteert zijn aantekeningen. „We moeten in de Arabische wereld de revolutie aangaan, dat is zeker. Ik sta dan ook met mijn hele hart aan de kant van de betogers die zich van het regime willen bevrijden, die hun vrijheid eisen. Maar tegelijkertijd ben ik bang, vreselijk bang dat deze beweging juist zal leiden tot de terugkeer, een nieuwe en hardere terugkeer van de religie, van de religieuze machthebbers. Dat zal tot een catastrofe leiden. De religie is immers gebaseerd op haat en geweld tegen de ander. De monotheïstische haat is vreselijk.”

U valt al uw hele leven het monotheïsme aan.

„Ik heb die visie systematisch proberen te ontkrachten. Ik ben een heidense mysticus. De boeken van de mystici zijn tot op de dag van vandaag verboden, het monotheïsme van de islam verdraagt geen andere stemmen. Zowel de islam als het judaïsme beschouwt God als een kracht van buiten, hij beheerst de wereld van buitenaf, hij is ‘meta’-fysisch. Volgens de mystici is God immanent en maakt hij deel uit van de wereld. Hij manifesteert zich in dingen, in mensen. De mystiek ziet God en het universum als een eenheid, er is geen enkele scheiding tussen de twee. Verder geloven mystici dat de realiteit niet bestaat uit wat je ziet of wat je aanraakt. De werkelijkheid is verborgen achter wat je ziet, het onzichtbare maakt deel uit van het zichtbare. Zo verandert je begrip van wat identiteit en wat waarheid is. Je erft de waarheid niet, je ontdekt hem. De religie wil dat je moslim bent, of christen, of jood. Nee, zegt de mysticus, je kunt het wórden, als je dat wilt.’

Hoe zou u uw engagement definiëren?

„Alles is in beweging, dus het ‘ik’ bestaat nooit alleen in zichzelf. Je gaat altijd via de ander naar jezelf. ‘Je est un autre’, zei Rimbaud duizend jaar nadat de mystici dat ook hadden gezegd. De mens, de ander, de vreemdeling maakt deel uit van jezelf. Ook het vrouwelijke. Wie naar God gaat, zei een belangrijk mysticus, gaat naar de vrouw, het centrum van de kosmos. In de seksuele daad komen het materiële en het spirituele samen. Wie het lichaam verkent, wie zich met een ander verenigt, komt tot de kern.

„Begrijpt u wat ik bedoel? Niemand in de officiële islam begrijpt dat, integendeel, het leidt tot haat. De Arabische traditie is gevangen in een officiële, armoedige, antimenselijke, religieuze visie. In die omstandigheden hebben de kunstenaars tot nu toe gewerkt en dat doen ze nog steeds. In dit perspectief is politiek engagement van gering belang. Het engagement is menselijk, kosmisch, niet alleen politiek. Wie ideologisch geëngageerd is, dreigt kunst als middel te zien. Dan keer je je niet alleen tegen de kunst, maar ook tegen de mens.”

Op twaalfjarige leeftijd droeg u een loflied voor aan de toenmalige machthebber die uw dorp bezocht. Toen hij u vroeg hoe u beloond wilde worden zei u dat u naar school wilde, hetgeen gebeurde. Vlak daarna koos u uw pseudoniem Adonis. Werd u op deze manier een ander?

„Die naam bevrijdde me van een religieuze en sociale identiteit die me was opgedrongen, van de naam Ali die me was toebedeeld. Ik kon een ander worden, naar de ander toe gaan, iets wat in de Arabische traditie niet bestaat. Ik ben altijd in metamorfose. Wie of wat ik ben – ik weet het niet. Ik zoek iemand die me dat kan vertellen. Weet u het?”

Margot Dijkgraaf