Spreek Wilders zélf eens aan op zijn gedrag

Je haalt de angel uit een belediging door hem te parafraseren.

Stuur het debat vervolgens naar je eigen onderwerp.

De ‘verwildering’ van het parlementaire debat domineert weer eens de discussie in politiek Den Haag. Politici noemen het taalgebruik van Geert Wilders uniek en ongekend. Blijkbaar weten ze niet wat er in het land speelt; in de lokale politiek worden vrijwel dagelijks zulke ‘onparlementaire’ uitspraken gedaan. Alleen al in de laatste twee weken werd een fractievoorzitter uitgemaakt voor ‘domme gans’, maakte een deelraadslid een ongepaste vergelijking met nazi-Duitsland en werden inwoners van Griekenland getypeerd als ‘knoflooketende strandstoelzitters’.

Wat in vergelijking met de lokale politiek opvalt, is dat Haagse hoofdrolspelers zelden Wilders zelf aanspreken op zijn gedrag. Meestal vervalt men in twee reflexen. De eerste is een appel aan de voorzitter van de vergadering: „Voorzitter, zo gaan we toch niet met elkaar om!” Men loopt direct naar de juf zonder de ‘boosdoener’ zelf aan te spreken – en ook nog een juf die in het verleden heeft aangegeven het niet als haar taak te zien om ‘kleuters’ tot de orde te roepen. Weinig effectief dus.

De tweede reflex is een verzuchting in de media over de toon van het debat („het was weinig verheffend”, „ik vind het niet kunnen”). In beide gevallen wordt niet met maar over Wilders gesproken. Het gevolg: de opmerking zelf wordt niet inhoudelijk weerlegd. Bovendien biedt deze aanpak de PVV-leider een uitgelezen kans om zich af te zetten tegen het door zijn achterban zo gehate politieke establishment. Hoe dan wel?

Als de beledigende woorden over jou gaan, doe je er het beste aan om niet de woordkeus aan te vallen, maar op de inhoud van de opmerking te reageren. Job Cohen werd in een vraag van Wilders weggezet als ‘bedrijfspoedel’. De PvdA-leider negeerde de vraag en zette op zijn beurt Wilders weg als een kleuter. Dat kan beter!

Tijdens onze trainingen leren we deelnemers een eenvoudig stappenplan om lastige vragen te beantwoorden. Parafraseer de vraag eerst in jouw eigen woorden, geef een kort en krachtig antwoord en breng de discussie vervolgens terug naar een voor jou belangrijk onderwerp (spin) – zie kader. Neem nooit zelf beladen termen in de mond: daarmee valideer je ze en geef je ze meer aandacht. Door te parafraseren dwing je jezelf bovendien om de vraag rustig, zakelijk en inhoudelijk te beantwoorden in plaats van je af te laten leiden door de vorm.

Anders wordt het als woorden kwetsend zijn voor iemand anders: een collega die zich niet kan verdedigen, een staatshoofd of zelfs een hele bevolkingsgroep. In dat geval kun je het beste de spreker direct aanspreken op diens woordkeus. Vraag door naar het beoogde effect („Voorzitter, ik zou de heer Wilders graag een vraag willen stellen: wat wil hij nu bereiken met zo’n opmerking?”). Leg in eenvoudige taal uit waarom een bepaalde kwalificatie getuigt van weinig fatsoen.

De opmerking van Wilders richting Mark Rutte is een bijzonder geval. Je kunt Rutte als minister-president niet verantwoordelijk houden voor het taalgebruik in de Kamer. Hij is daar te gast bij zijn ‘baas’: het parlement. Doorgaans ziet hij die verhoudingen scherp, maar met opmerkingen als „sjongejonge” en „doe zelf eens normaal!” viel hij uit zijn rol. Het was verstandiger geweest om zich niet zelf tot Wilders te richten, maar te laten zien dat onparlementair woordgebruik vooral een probleem van het parlement is. Door zelf in de tegenaanval te gaan, ontnam hij de Kamer een kans om Wilders direct aan te spreken op zijn woorden.

Het was begrijpelijk dat Rutte – en dat geldt ook voor Cohen – vanuit een emotionele reflex reageerde. Maar soms moet je als politicus even op je lip bijten voordat je iets zegt. Het is prima als je zegt wat je denkt. Nóg beter is als je nadenkt over wat je het beste kunt zeggen.

Lars Duursma en John Bijl zijn debatexperts bij trainingsbureau Debatrix