Oordelen over eigen wetsvoorstellen...

Minister Donner wordt het meest genoemd als nieuwe vicepresident van de Raad van State. Als hij het wordt is dat niet goed voor het imago van de Raad, luidt de kritiek.

DENHAAG:3JAN2002 Raad van State. FOTO ROEL ROZENBURG

Niets is nog zeker over de opvolging van Herman Tjeenk Willink, vicepresident van de Raad van State. Maar stel nou dat. Stel dat huidig minister Piet Hein Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) zijn taken begin volgend jaar overneemt.

Dan staat in elk geval wél vast dat minister Donner eindverantwoordelijk zal zijn voor adviezen over wetsvoorstellen die hij zelf heeft gemaakt. Tjeenk Willink stopt formeel per 1 februari, omdat hij dan zeventig jaar is geworden. Dat is over krap vier maanden. En de gemiddelde tijd die de Raad van State, het belangrijkste adviesorgaan van de regering, nodig heeft om tot een advies te komen, is drie maanden. Gemíddeld. Het duurt dus ook geregeld langer. En Donner heeft zijn taken als minister (vooralsnog) niet neergelegd, krap vier maanden voor 1 februari.

Momenteel liggen meerdere controversiële wetsvoorstellen van Donners hand ter behandeling bij de Raad. Neem het inkrimpen van het parlement: de minister wil dat zowel de Eerste als Tweede Kamer eenderde van zijn aantal zetels inlevert. Omdat de hele overheid moet bezuinigen, moeten ook beide Kamers inkrimpen, is het idee. Tegenstanders zeggen dat de bureaucratie niet zal afnemen, terwijl de controlerende macht wél feitelijk verkleint.

Dan is er het verbod op het dragen van nikabs en boerka’s. Volgens Donner past gelaatsbedekkende kleding niet in het Nederlandse straatbeeld. Maar lost de minister hiermee een probleem op, als volgens schattingen 150 tot 200 islamitische vrouwen in Nederland een boerka dragen? Volgens de oppositie niet.

Hoe voorkomt de Raad van State dat Donner zich zou laten leiden door zijn vorige baan, bij de totstandkoming van adviezen over deze voorstellen? Er staat één zinnetje in de Wet op de Raad van State dat dit probleem moet verhelpen. In artikel 27e staat dat vicepresident, leden en staatsraden niet deelnemen aan de beraadslagingen en niet meestemmen, „indien daardoor hun onpartijdigheid schade zou kunnen lijden”. Volgens Tjeenk Willink is het nog nooit voorgekomen dat een vicepresident of een staatsraad gebruik heeft moeten maken van dat artikel, „maar is de Raad altijd alert op zijn onpartijdigheid”.

Maar hoe die alertheid op eventuele belangenvermenging in de praktijk precies uitpakt, blijft vaag. De Afdeling advisering, die advies over wetsvoorstellen uitbrengt, stemt namelijk ook niet formeel over elk voorliggend plan – al staat in de wet dat ze beslist bij meerderheid van stemmen. Het groepje leden dat een wetsvoorstel behandelt, praat net zolang door tot zij zich allemaal in een advies kunnen vinden.

Of die onpartijdigheid nu wel of niet feitelijk is afgedekt, de leden van de Raad van State zullen mans genoeg zijn om ervoor te zorgen dat Donner geen kans krijgt om zich met zijn eigen wetsvoorstellen te bemoeien. Dat zegt Hans Engels, hoogleraar staatsrecht en D66-fractievoorzitter in de Eerste Kamer. „En als Donner het toch probeert, zeggen ze alsnog dat hij zijn mond moet houden.” Overigens zou Donner pas op het laatste moment bij een advies betrokken zijn. Vier secties buigen zich in eerste instantie over de wetsvoorstellen van verschillende ministeries – en Tjeenk Willink maakt nu van geen van die subgroepen deel uit.

Groter dan het risico op feitelijke belangenvermenging schat hoogleraar Engels de kans dat het imago van de Raad schade oploopt als Donner vicepresident wordt. „Een partijdige Donner krijgt de dagelijkse leiding over wat één van de laatste neutrale organen binnen het openbaar bestuur heet te zijn. Niet bevorderlijk voor de geloofwaardigheid.” Engels maakt een vergelijking met het imago van rechters: „Iedereen denkt dat alle rechters te soft straffen en lid van D66 zijn. Feitelijk onjuist, maar het beeld is onverwoestbaar.”