Kort aantrekken, lang wegzetten

Een politieke beweging is het niet, of in ieder geval nog niet, de groep mensen die zich nu dagelijks demonstrerend ophoudt op Wall Street. Dat is óók onze straat, roepen ze, protesterend tegen het feit dat er sinds de kredietcrisis veel te weinig is veranderd.

Welke mening ze precies hebben – en vooral: of ze wel gelijkluidende meningen hebben – doet er niet zo veel toe. Het gaat om de druk, om het initiatief de financiële sector in het oog van de publieke belangstelling te houden.

Dat is moeilijk. De sector zelf verzet zich tegen de baaierd aan voorgestelde veranderingen die moeten verhinderen dat de crisis van 2008 – waar we ons nog steeds in bevinden – zich ooit zal herhalen. Jamie Dimon, de baas van JP Morgan, verlaagde zich vorige week nog tot een scheldpartij tegen de Canadese centralebankier Mark Carney, tijdens de IMF-jaarvergadering. Voorstellen uit ‘Basel 3’ voor een verhoging van de financiële buffers met écht eigen vermogen – in tegenstelling tot de financiële acrobatiek die daar vaak voor doorgaat – noemde Dimon ‘anti-Amerikaans’.

Gisteren noemde Bill Brodsky, de baas van de grootste Amerikaanse optiebeurs CBOE, een belasting op financiële transacties ‘absurd’. Deze minieme belasting zal vooral inhakken op de hoogfrequente handel die inmiddels soms wel de helft van alle transacties op de effectenbeurzen beheerst. Potentieel riskant, zoals de flash-crash op Wall Street van vorig jaar liet zien. En totaal onbeheersbaar.

Een bevriende Amerikaanse beurstechnicus bevestigde onlangs het verhaal dat effectenfirma’s allemaal dezelfde lengte aan glasvezelverbinding met de beurscomputer moeten hebben om geen milliseconde voordeel te hebben op de concurrentie. Bij sommige, die te dichtbij zijn, ligt de kabel opgerold ergens in het gebouw.

Wat is hier nou absurd, mijnheer Brodsky?

Nu moet gezegd dat de banksector zoveel initiatieven over zich heen krijgt, en in zoveel verschillende jurisdicties, dat het duizelt. Het risico bestaat dat de bedrijfstak verdrinkt in regelgeving die te complex en soms tegenstrijdig is.

Maar aan de andere kant: de mogelijkheden van de sector om in het geweer te komen zijn groot. Zoals de Britse econoom John Kay onlangs al schreef na het uitkomen van het Britse Vickers-rapport: politici en het publiek gaan na zo’n moment over tot de orde van de dag. Er is meer te doen, er zijn andere problemen die aandacht vragen. Maar de bankenlobby gaat intussen door als een dieselmotor. Zodat, als aanbevelingen na een paar jaar in daadwerkelijk beleid worden omgezet, er weinig meer van de oorspronkelijke voornemens over blijkt.

Gisteren lanceerde ex-Rabo topman en oud-vertegenwoordiger van Nederland bij de Wereldbank, Herman Wijffels, samen met collega’s uit de wetenschap het ‘Sustainable Finance Lab’ (waar, voor de goede orde, de auteur eenmalig in een panel plaatsnam). Doel is het veranderen van het financiële sy-steem zelf, in de richting van één dat dienstbaarder is aan de economie. De belangstelling was massaal. Ook hier valt, net als in de horde buiten op straat in Wall Street, nauwelijks te verwachten dat er eensluidende visies uit rollen. Het belangrijkste is dat het initiatief überhaupt bestaat. Dat de voortstampende diesel van de bankenlobby concurrentie blijft houden van een even hardnekkige inspanning van publiek en wetenschap. Want voor je het weet hebben we over vijf jaar een financiële sector die griezelig lijkt op die van vijf jaar geleden.

Maarten Schinkel