Joey is ermee gestopt

Vier jeugdvrienden verwerken de zelfmoord van een vijfde vriend in West-Friesland, waar suïcide veel voorkomt onder jongeren.

Een voorpublicatie van de roman Een uur en achttien minuten.

Nederland, Wieringermeer, 09-10-2008. Foto: Rob Huibers. Zojuist geploegde akker aan de Wieringerrandweg vlak bij het dorp De Haukes, dat op de westpunt van het voormalige eiland Wieringen ligt. In de komende jaren wordt Wieringen weer een eiland, doordat het noordelijke gedeelte van de polder Wieringermeer, een strook van ongeveer 250 meter breedte en 9 km lang in een randmeer wordt veranderd. Deze akker zal langs de oever van het randmeer worden. Het nieuwe meer heeft als doelen recreatie, natuurontwikkeling, waterberging en woningbouw. In this area in the north of the oldest of the Zuyderzee polders, Wieringermeer, a land reclamation from ± 1930, a new lake will be constructed, 250 meters wide, 9 KM long, meant for water storage, nature development, recreation and housing.

Het station heeft een kleine kiosk. Achter de balie, op een stoel die haar zowel naar de klant als de kaartjesautomaat laat draaien, zit al jaren dezelfde vrouw. Haar gezicht is elke keer als ik hier naar binnen loop een stukje ouder dan de vorige keer. Het gezicht smelt, langzaam, als een ijsje dat niet snel genoeg opgegeten wordt op een warme dag. Het is binnen altijd koud.

Vroeger kocht mijn vader hier een railrunnerkaartje voor mij en mijn zusje, voor één gulden, waarschijnlijk bij hetzelfde gezicht. Ik kan me die kaartjes nog goed herinneren. Ansichtkaarten met een konijn erop, een konijn met een conducteurspet. Je kon er de hele dag mee reizen en hem ten slotte ook nog aan iemand versturen.

Ik beeld me de vrouw in als de douanier die me welkom heet bij thuiskomst in mijn geboortedorp.

Goedemiddag, welkom thuis. Hebt u nog iets aan te geven?

Ze kijkt me aan, even lijkt het of ze de vraag echt gesteld heeft. Ik kijk weg, richting het blauwe rek bij de deur. Geen kranten. Zondag.

Mijn fiets staat er nog. Ik stap op.

De Stationsweg is belegd met donkerrode kasseien, elke in kleur iets verschillend van die daarnaast. Auto’s rijden er stapvoets, alsof ze bij elk huis even de woonkamer in willen kijken. Fietsers duwen er hun trappers zonder haast in de rondte. Er is een kapper, New Styles, een fietswinkel met een eigenaar die altijd chagrijnig kijkt, Wim Vels, en een meubelwinkel waar ik nog nooit iemand binnen heb gezien.

Langs de stoep staan eikenbomen langzaam knoesten te sparen. Ze verwelkomen me, ze staan geduldig te wachten.

Aan het eind van de Stationsweg stap ik af, wacht tot de auto die aan komt rijden gepasseerd is, en steek dan over.

Ik rij langs de basisschool waar ik vroeger op zat. Dezelfde stoeltjes, met de gekromde houten leuningen, staan in een cirkel in het kleuterlokaal, klaar voor het maandagochtendgesprek. Er zullen morgen kinderen in die kring zitten die weten wat er is gebeurd. Misschien legt de juffrouw ze uit waarom sommige mensen zoiets doen.

Er is een lachende walvis op het raam getekend.

Bij het politiebureau is het rustig. Er staat één auto voor de deur, achter de ramen zie ik geen beweging. Ik lijk me erover te verbazen dat het hele korps niet in rep en roer is. Dat niet elke straathoek van het dorp is afgezet met rood-wit lint.

De brandweerkazerne met de grote ramen staat ernaast. Er past precies één brandweerauto in, alsof het levensgroot speelgoed is, een autootje achter plastic.

Op het plein achter het politiebureau en de brandweerkazerne speelden we vroeger balletjetrap tegen de muur. Met z’n vijven.

Ik neem de bocht naar rechts.

Op de hoek van het kleine winkelcentrum zit de bibliotheek. Vroeger ging die dicht tussen de middag. Dan stonden de mensen rond één uur met boodschappentassen in de hand te wachten tot hij weer openging. Ik kan de kranten van gisteren zien liggen op de leestafel in het midden. Kranten waar het nieuws nog niet in staat.

Misschien morgen.

Naar links. Het laatste stukje fietspad. Hier heb ik altijd wind tegen.

Thuis, bij mijn ouders thuis, zit ik op de bank. Ik ben hier nu vijf weken niet geweest en het is al een jaar mijn huis niet meer. Mijn moeder gaat tegenover me zitten, op de houten salontafel.

Ik kijk haar aan. Het is alsof ik het nieuws opnieuw hoor, maar nu via de bezorgde blik van mijn moeder. Ze weet niet goed wat ze moet zeggen, dus verbergt ze mijn hoofd in haar nek.

Ik snik. Hier heb ik tijdens de treinreis al tientallen keren naar vooruitgespoeld.

Mijn vader staat achter de bank en aait door mijn haar. „Ach, jongen toch”, zegt hij.

De hond zit kwispelend aan mijn voeten. In de keuken zoemt de broodbakmachine. De radio brengt een gesprek over Barack Obama.

En Joey is dood.

Gisteravond, rond kwart over één, stond ik mijn tanden te poetsen in de badkamer. Ik had met studiegenoten gegeten in het centrum van Utrecht en was net thuisgekomen. Mijn telefoon lag, samen met mijn net uitgetrokken jas, op mijn bed. Hij trilde kort en het beeldscherm lichtte op.

Ik liep ernaartoe. De tekst stond meteen in beeld.

„Jongens, het spijt me. Ik heb de lat te hoog gelegd, ik ben mijn idealen kwijt. Sorry. Bedankt. J.”

Onmiddellijk stokte mijn adem, het voelde alsof mijn maag binnen een seconde een paar graden kouder werd. Ik las het nog eens. Haalde mijn telefoon van de toetsvergrendeling, koos ‘berichten’ in het menu en bekeek de inbox. Bovenaan één nieuw bericht, van Joey.

„Jongens, het spijt me. Ik heb…”

Ik controleerde of zijn nummer klopte. Las de Sorry nog eens, en de Bedankt. Verstijfd belde ik hem op terwijl ik door mijn kamer liep. Ik kreeg zijn voicemail, een standaard voicemail. Niet Joey’s stem, maar die van een mevrouw die voorlas.

„U bent verbonden met de mailbox van. Nul, zes…”

Ik hing op en probeerde het opnieuw. Dezelfde stem. Ik las de sms en belde weer. Niets.

Ik keek naar het raam en het leek te trillen in zijn kozijn.

Ik opende mijn mond, zo ver dat ik ermee kon gillen, maar ik maakte geen geluid.

Ik ging op mijn bed zitten, maar kwam erachter dat ik niet kon zitten.

Ik ging staan, maar merkte dat ik niet kon blijven staan.

De machteloosheid greep me bij mijn voeten en trok me onderuit.

En als ik nu terugdenk aan dat moment, vervloek ik alles – álles – dat ik niet direct gebeld heb. Dat ik controleerde en nog een keer las, en weer controleerde en verdwaasd naar de muren keek en zo veel tijd nodig had om het tot me door te laten dringen.

Ik had, zelfs met de minieme kans dat ik hem dan wel zou hebben bereikt, eerder moeten bellen.

„Joe, wat doe je? Waar ben je?”

Had ik hem gesproken, dan had hij het niet gedaan. Dat weet ik zeker.

Dat wil ik zeker weten.

De Schelde is een straat in een blok van acht, parallel aan elkaar. Ook na honderd keer loont het de moeite de inritten te tellen, zodat je zeker weet dat je de goede inrijdt. Aan het begin en het eind van de straat staan appartementen, daartussenin rijtjeshuizen. Struiken en speeltuintjes staan precies waar je ze mag verwachten en om de tien meter ligt een verkeersdrempel.

De Schelde is een levensgrote, versleten maquette, een in 1975 goedgekeurd plan.

Een uitstekende straat om met Sint-Maarten in korte tijd veel snoep op te halen, maar waar dertig jaar later de kozijnen hun vierde laag verf loslaten en de schommels hangen te roesten.

Als Dennis opendoet en me begroet, lijkt hij zijn lach niet in te kunnen houden. Het verlies dat tussen onze ogen echoot kan zich op dit moment niet anders uiten dan via een flauwe grinnik. We weten niet anders, we kennen elkaar niet anders.

Hij gaat me voor door de gang en we zeggen niets. Aan de keukentafel zitten Richard en Alex. Alex knikt als ik binnenkom, Richard kijkt naar de tafel. Op het beukenhouten tafelblad ligt het Noord-Hollands Dagblad van afgelopen vrijdag met daarop een pakje speelkaarten.

Ik schuif een stoel naar achteren en ga zitten. Het schuiven van de stoelpoten over de plavuizen doorbreekt de stilte.

„Heb je z’n sms’je gehad?” vraagt Dennis zacht. Hij kijkt me aan en wacht op een antwoord.

„Ja”, zeg ik.

„Wat dacht je?”

Een stilte. Ik leg mijn handen plat op de tafel.

„Ik dacht dat hij... ging doen wat hij heeft gedaan”, zeg ik.

„Ja, veel anders kon je er niet van denken”, zegt Alex. Hij is lijkbleek. Als ik niet uit eigen ervaring had geweten wat er door zijn lichaam jaagt, had ik gedacht dat hij ziek was.

Dennis zoekt zichtbaar naar woorden. Zijn handen liggen gevouwen voor hem op tafel. Ze trillen.

„Wil je wat drinken?” vraagt hij me.

„Nee.”

Ik wil mijn zwarte gedachten met hem delen, maar dat lukt niet. Ik hou ze bij me en langzaam verdringen ze alle herinneringen. Elke voetbalwedstrijd, elke zomervakantie, elke zaterdagavond. Elke keer dat ik mijn flesje bier tegen dat van een van hen heb getikt. Het geluid van dat dikke bruine glas. Elke keer dat we tegelijkertijd een zwembad in sprongen. Doelpunten vierden. Verjaardagen vierden. Barbecues. Meisjes. Woordgrappen. Studio Sport. Tuinstoelen. Kaartspellen. Koninginnedagen.

Zwart.

„Komt er nog... een onderzoek of zo?”, vraag ik.

„Wat wil je onderzoeken?” vraagt Alex.

Richard heeft nog niets gezegd sinds ik binnen ben. Hij kijkt afwisselend naar mij, Alex en de tafel en draait aan de ring aan zijn rechterhand. Dennis loopt toch maar naar de koelkast, opent de deur en kijkt een paar seconden naar wat erin staat. Dan doet hij de deur weer dicht, zonder iets te pakken.

„Ik niets. Maar…”

„Joey… is ermee gestopt”, onderbreekt Alex me. „Hij heeft ons berichtjes gestuurd dat ie het ging doen. En toen heeft ie het gedaan.”

Zo is het. Dat is de nuchtere Noord-Hollandse analyse van zijn jeugdvrienden, die samen in de Schelde aan een keukentafel zitten, worstelend met een overhoopgegooide vriendschap. Dit hebben ze niet eerder hoeven verwerken. Zo hebben ze elkaar niet eerder hoeven aankijken. Zo voorzichtig hebben ze hun woorden en vermoedens niet eerder hoeven wegen.

Aan de muur hangt een klein tv’tje waarop we afgelopen zomer een wedstrijd van het EK gekeken hebben. Er staan lege bierflesjes op het aanrecht.

    • Peter Zantingh