Had ik iets moeten doen?

Na de zelfdoding van zijn broer voelde Alje Kamphuis zich verantwoordelijk.

Hij kon diens verslaving niet oplossen en schreef een boek over de zelfmoord.

Ernst Kamphuis pleegde zelfmoord in augustus 2008, 48 jaar oud. Hij hing zich op in zijn huis en werd drie dagen later gevonden. Zijn jongere broer Alje had hem toen ruim een jaar niet gezien. Ernst, die verslaafd was aan cocaïne en aan psychoses leed, was de ‘zieke broer’ met wie hij nauwelijks contact had. Na zijn dood dook hij alsnog in diens leven. Vorige week verscheen zijn boek Verdwaald in alle vragen.

Hoe komt het dat u en hij elkaar zo weinig zagen?

„Dat is al ‘misgegaan’ in de puberteit. Ik deed aan topsport – tafeltennis. Ik trainde heel hard. Geen vriendinnetjes, geen alcohol, ik leefde spartaans. Hij dook de seventies-punkkant op. Zijn band Ivy Green was een hit in de zalen, maar ik ben zelfs nooit naar een optreden geweest. We zijn later iets nader tot elkaar gekomen, maar door zijn psychoses kwam het niet echt van de grond. Hij was vaak heel druk en praatte alleen over zichzelf. Je zag ook dat hij er niets aan wilde doen. Of niet het vermogen had er iets aan te doen – ik wil niet oordelen.”

Waarom niet? Mag dat niet als iemand zelf zijn leven beëindigt?

„Er is natuurlijk wel iemand dood. Je schiet zó in… Waarom…. Had ik iets moeten doen... Als iemand overlijdt aan een hartaanval, kun je je hoogstens afvragen of je minder vet voor hem had moeten koken. Het eerste dat Isa Hoes tegen de moeder van Antonie Kamerling zei was ‘sorry’, vertelt zijn broer Kris in het boek. Op een of andere manier voel je je toch verantwoordelijk, al is dat niet terecht.”

Heeft u het gevoel dat u iets had moeten doen?

„Ik had de zelfdoding niet kunnen voorkomen, zijn verslaving niet kunnen oplossen, maar er wel meer voor hem kunnen zijn. Dat voelde ik het sterkst toen ik bij de voedselbank hoorde dat hij soms bedelde op straat. Toen dacht ik: nou. Had ik niet eens door dat manische heen kunnen kijken en zeggen: kom, we gaan even koffiedrinken. Maar goed, dan had hij misschien wel gezegd: koffiedrinken? Met jou? Alsjeblieft niet.”

Uw broer sprak weleens over een doodsverlangen. Kwam zijn dood daardoor minder onverwacht?

„Het was benoemd, maar ik dacht niet dat hij het zou doen. Hij zei ook: dat doe ik mijn kinderen niet aan. Wij hadden zelf onze vader vroeg verloren, door een hartaanval. Dan zou hij hen datzelfde gevoel geven. En hij is altijd bang geweest voor pijn. Op het moment dat hij stierf had hij afspraken bij de tandarts, er moest veel aan zijn gebit gebeuren. Dat speelde misschien deels mee in zijn beslissing.”

Is zijn behandelaars iets te verwijten?

„Ze hebben hem verwezen naar de dagkliniek toen hij een paar dagen voor zijn dood aanklopte voor hulp, maar niet gecheckt of hij daar ook echt naartoe is gegaan. Met wijsheid achteraf… Maar misschien heeft hij die signalen niet goed uitgezonden… Het wil hoe dan ook niet zeggen dat hij dan nog had geleefd. En hoe lang hebben ze hem niet behandeld. Dat is jaren en jaren goed gegaan. Godzijdank dat zulke mensen er zijn om mensen in crisis te helpen.”

Waarom bent u gaan praten met de politiemensen die hem vonden?

„Het beeld van een gehangene ken je eigenlijk alleen uit films. Ik wilde dat het beeld realiteit zou worden. Zodat ik niet de hele tijd zou blijven denken: hoe zou het gegaan zijn.”

Doordat uw broer pas na drie dagen werd gevonden, heeft u zijn opgebaarde lichaam niet kunnen zien. Maakt dat de verwerking moeilijker?

„Je hebt geen normaal rouwproces. Daarom vind ik de discussie belangrijk over een ‘waardig slot’ voor mensen die uit het leven willen stappen. Daar is de politiek niet klaar voor. De psychiatrie ook niet. Slechts drie op de honderd psychiaters durven hulp bij zelfdoding te geven. Bij een goede arts hoort ook de dood erbij.”

Alje Kamphuis: Verdwaald in alle vragen. € 19,95. Uitg. Van Praag.

Zie ook een voorpublicatie over zelfmoord onder jongeren in West-Friesland op de volgende pagina’s.