Green Deal laat vooral veel aan de burgers over

Het kabinet kwam gisteren met de langverwachte Green Deal voor het klimaat. Maar veel geld is er niet voor. Hoe groen is de deal werkelijk?

Helemaal niets is het niet. Maar of Nederland veel duurzamer zal worden en economisch harder zal groeien door de Green Deal die minister Verhagen (Economische Zaken, CDA) en staatssecretaris Atsma (Milieu, CDA) gisteren bekendmaakten? Oppositiepartijen PvdA, D66 en GroenLinks hebben het akkoord, aangekondigd als belangrijk onderdeel van het klimaatbeleid, als „veel te weinig” afgeserveerd.

Verhagen en Atsma presenteerden de 59 initiatieven gisteren bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie in IJsselstein, onder veel media-aandacht. Maar uit de plannen blijkt dat het kabinet er zelf weinig in wil investeren. Het moet vooral van de burgers en de bedrijven komen. In een tijd dat miljardenbezuinigingen en de eurocrisis in het politieke debat de boventoon voeren, mag er niet te veel geld gaan naar milieu en duurzaamheid. Zeker niet met een gedoogpartner (PVV) die klimaatopwarming maar flauwekul vindt.

De bijdrage van het kabinet aan de initiatieven is vooral, zo valt uit de plannen op te maken : partijen bij elkaar brengen, kennis en kunde aanleveren, onderzoeken of vergunningprocedures vereenvoudigd kunnen worden. Dit staat haaks op de verwachtingen die rond de Green Deal zijn gewekt. Het kabinet-Rutte sprak er vorig jaar in het regeerakkoord al over. De kwakkelende economie had een nieuwe impuls nodig, nieuwe groeimogelijkheden. Duurzaamheid kwam in beeld. Immers, de CO2-uitstoot moet omlaag. En door de groeiende schaarste aan grondstoffen moeten we meer recyclen. Kansen genoeg. Elektrische auto’s, klimaatneutrale huizen, gerecycled beton. Maar tegelijk schroefde het kabinet de klimaatambities van het vorige kabinet-Balkenende fors terug.

Verhagen en Atsma, en ook voorzitter Bernard Wientjes van werkgeversorganiatie VNO-NCW, deden het gisteren voorkomen alsof Nederland mee vooroploopt in duurzaamheid. Maar feit is dat het aandeel duurzame energie vorig jaar is gedaald, naar 3,8 procent. Nederland zit in de Europese achterhoede. En dat er jaarlijks bijna 6 miljard euro subsidie naar fossiele brandstoffen gaat (met name in de vorm van fiscale steun), en 1,5 miljard euro naar duurzame energie, zoals vorig jaar bleek uit een rapport van adviesbureaus Ecofys en CE Delft.

De positie van Nederland maakt het lastig het land duurzamer te maken. De zware industrie – raffinaderijen, staal- en zinksmelterijen, plasticfabrikanten, kunstmestproducenten – is relatief groot, vreet energie en verzet zich bijvoorbeeld tegen windmolens. Zij wil liever een kerncentrale. Daarnaast zit Nederland op een gasbel die de Staat te gelde wil maken. Besparen op het gasverbruik, bijvoorbeeld door huizen radicaal te isoleren, snijdt in de gasinkomsten.

In de Green Deal staat onder andere dat het kabinet ruimte wil bieden voor 6.000 megawatt aan windturbines op land. Maar dat doel bestaat al sinds het kabinet-Balkenende II. Ook heeft de overheid nu met de energiebedrijven afgesproken dat ze 10 procent van de kolen in hun centrales zullen vervangen door biomassa. Maar op die 10 procent zit de sector nu al.

Nederland moet forse stappen zetten om de klimaatdoelstellingen voor 2020 te halen. Maar de 59 initiatieven van de Green Deal zijn schuifelpasjes. Een paddestoelenbedrijf mag warmte aan zijn buurman gaan leveren. Voor Verenigingen van Eigenaren wordt het makkelijker zonnepanelen op het dak te plaatsen. Gemeenten moeten tapijt scheiden voor recycling.

Stuk voor stuk zijn het goede initiatieven, waarmee het kabinet kan laten zien dat de regeldruk zoals beloofd vermindert. Maar in omvang zijn de maatregelen klein.