Einde van een geschiedenis?

Is de lange pijnlijke historie van Nederland met ‘Indië’ nu definitief achter de horizon verdwenen? Ik denk van wel. Natuurlijk, er zijn in Nederland nog overlevenden van de jappenkampen, en nog meer, soms zeer verbitterde, veteranen uit de koloniale oorlogen die Nederland voerde na de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring van 1945. En er bestaan in Indonesië nog diepe trauma’s uit de periode van kolonialisme en neokolonialisme. Toch lijkt het me nu zover te zijn gekomen dat de koloniale verhouding is gaan behoren tot het domein van de geschiedschrijving, niet in de laatste plaats van de literatuurgeschiedenis – van Multatuli en Couperus tot Pramoedya Ananta Toer en Hella Haasse.

De vorige week overleden schrijfster van onder meer Oeroeg, Heren van de thee en Sleuteloog vertelde in 2009, bij haar laatste publieke optreden (toen Willem Nijholt in Carré een aangrijpende voordracht had gehouden van Oeroeg), dat zij er al zeventig jaar achter probeerde te komen wat Indië voor Nederlanders is geweest. „Daar zijn we nog lang niet uit”, merkte zij op.

De Nederlandse oud-ambassadeur Koos van Dam, die in 2008 bij de herdenking van het bloedbad in Rawagede voor het eerst het woord excuses uitsprak, tot ongenoegen van Den Haag, zei onlangs iets soortgelijks in een interview met Lidy Nicolasen in de Volkskrant: „Het was lange tijd niet mogelijk überhaupt kritiek te hebben op wat er in Indonesië was gebeurd (...) Nederland heeft heel lang veel moeite gehad om afstand te nemen van Indonesië.” Dit naar aanleiding van de briljante uitspraak die de rechtbank in Den Haag vorige maand deed over de zaak-Rawagede. De rechtbank verwierp het beroep van de Nederlandse staat op verjaring van de aansprakelijkheid voor de moord in 1947 door Nederlandse militairen op 431 ongewapende inwoners van dit Javaanse dorp. „De kennis die de Staat van meet af aan van deze feiten heeft gedragen” vormde een belangrijke overweging voor de rechtbank, die hiermee niet alleen de gepleegde oorlogsmisdaden, maar ook de doofpot veroordeelde.

De ook symbolische betekenis van dit oordeel kan niemand ontgaan. In de recente biografie van generaal Spoor, de Nederlandse militaire bevelhebber tijdens de twee koloniale oorlogen van 1947 tot 1949, door historicus J.A. de Moor, is bijvoorbeeld te lezen dat deze zich verzette tegen strafrechtelijk of ander onderzoek naar de misdaden (die later eufemistisch ‘excessen’ werden genoemd) om „de troepen niet in een kwaad daglicht te stellen”. Dat is altijd de hypocriete benadering van de Nederlandse overheid geweest. Pas het vonnis van de Haagse rechtbank zet hier een streep onder. Rawagede betreft maar één uit talrijke schendingen van het oorlogsrecht, maar toch is de uitspraak een opluchting. En dat niet alleen voor de eisers, de nabestaanden van de slachtoffers, maar algemener, uit het oogpunt van historische rechtvaardigheid.

Dit brengt mij op iets waar ik me al tientallen jaren het hoofd over breek, ik mag wel zeggen waarmee ik heb geworsteld: het probleem van de ‘selectieve verontwaardiging’, een term die altijd in verwijtende zin wordt gebruikt. Een opmerkelijk illustratie van dit thema vond ik onlangs terug in de geschriften van Karel van het Reve. Hij speelde een bewonderenswaardige rol bij de steun aan dissidenten in de Sovjet-Unie, maar schamperde met valse argumenten over demonstranten tegen de oorlog in Vietnam. „Men organiseert demonstraties voor het terugtrekken van de Amerikaanse troepen uit Vietnam, omdat de Amerikanen ook van die demonstraties organiseren. Ik kan me hier te lande geen demonstraties herinneren voor het terugroepen van Nederlandse troepen uit Indonesië of Nieuw-Guinea” (Hollands Maandblad, december 1965).

Ik kan me niet voorstellen dat Van het Reve zo’n selectief geheugen had en zich niet herinnerde dat in 1946 in Amsterdam werd gestaakt tegen de uitzending van troepen naar Indonesië, of dat op 2 februari 1946 20.000 mensen in de hoofdstedelijke Markthallen een vreedzame dekolonisatie eisten, of dat in april 1947 30.000 mensen deelnamen aan een protestbijeenkomst tegen de ‘politionele actie’. Als biograaf van de socialistische dichteres Henriette Roland Holst heb ik deze feiten paraat: zij was een van de prominente sprekers tijdens die protesten. Die ‘vergeten’ betogers hadden op dit punt het historisch gelijk aan hun kant. Ere wie ere toekomt.

Wat Nieuw-Guinea betreft: toen de Nederlandse regering in 1963 op een haartje na voor de derde keer een koloniale oorlog met Indonesië wilde beginnen, op instigatie van de koloniale scherpslijper minister Luns (Buitenlandse Zaken, KVP), waren de protesten tegen de uitzending van dienstplichtige militairen minder massaal, maar niet minder heftig.

Begin jaren zeventig nam ik deel aan acties tegen de schending van mensenrechten in het Indonesië van dictator Soeharto, die gesteund werd door een Intergouvernementele Groep onder voorzitterschap van de ex-kolonisator, Nederland. De demonstranten kregen toen het verwijt dat zij niet ageerden tegen linkse dictaturen. Ik vermoed dat bij ‘selectieve verontwaardiging’ een nabijheidscriterium geldt: hoe dichterbij, hoe meer betrokken. Misschien blijft dat wel onze band met Indonesië, al was het maar via de literatuur.