Cohen staat nu niet ter discussie - nou ja, niet openlijk

Van hoog tot laag zijn leden van de PvdA loyaal aan partijleider Cohen. Ondanks zijn zwakheden, en dat zijn er veel. Maar hoe lang is zijn positie nog openlijk onbespreekbaar?

Gaat het om partijvoorzitter Ploumen of eigenlijk toch om partijleider Cohen? Veel PvdA’ers hadden gisteravond opgewonden journalisten aan de lijn. Die gesprekken gingen niet over het aangekondigde aftreden van partijvoorzitter Lilianne Ploumen. Haar opstappen bleek vooral een excuus om al snel over iets heel anders te praten: de positie van partijleider Job Cohen.

Bij de PvdA kan weinig gebeuren of het gaat daarover. Is er nog hoop voor het partijleiderschap voor Cohen, of kan de partij zich alleen heruitvinden onder het bewind van een andere leider?

Ploumen gaf – als het onbewust was wel heel naïef – daarvoor ook de perfecte gelegenheid, door Cohen weinig zichtbaarheid binnen de partij te verwijten, op te roepen zich niet zo te laten meesleuren „in de Haagse dynamiek” en te benadrukken dat hij niet de enig mogelijke lijsttrekker is bij de volgende verkiezingen.

Dan word je als PvdA’er al snel gedwongen te zeggen dat de positie van Cohen „niet ter discussie staat”. Dat overkwam ook Marleen Barth, PvdA-fractievoorzitter in de Eerste Kamer, die vanochtend op het nieuws reageerde: „Ik hoor Ploumen niet zeggen dat Cohen weg moet.” Dat soort opmerkingen klinkt altijd een beetje als de voorzitter van een slecht presterende voetbalclub die zegt dat hij nog het volste vertrouwen in de trainer heeft.

Hoewel er al sinds zijn slechte verkiezingscampagne en de daarop volgende nederlaag over het vertrek van Cohen wordt gespeculeerd, onthouden de meeste PvdA’ers in het topkader zich daarvan. Dat is ongebruikelijk. Zelfs toen afdelingsvoorzitters in zes grote steden vorige week „in opstand” kwamen tegen het „slome profiel van de partij”, benadrukten zij zich niet richtten tegen de leider. Alleen de Jonge Socialisten bekritiseerden de partijleider openlijk: „Job Cohen moet peper in zijn reet krijgen.”

De belangrijkste reden dat Cohen niet openlijk ter discussie staat, is dat zich voor de altijd wat anarchistische PvdA een merkwaardige situatie voordoet. Van hoog tot laag zijn leden loyaal aan de leider. Cohen is een sympathieke man, die binnen de partij nauwelijks vijanden heeft die van zijn zwakheden gebruik willen maken om hem af te zetten.

Die zwakheden zijn er. Blij over zijn prestaties als partijleider zijn sommige Kamerleden allerminst. Zo gaf een lid van zijn fractie een dodelijke recensie van zijn optreden bij de Algemene Politieke Beschouwingen: „Voor zijn doen deed Job het goed, maar het is natuurlijk niet zijn ding.” Een erg inspirerende teamleider is hij ook niet. Om het aardig te zeggen: hij laat Kamerleden veel vrijheid. PvdA’ers die nog wel in de wederopstanding van Cohen geloven, doen dat vooral omdat ze hopen dat kiezers uiteindelijk zullen zien dat hij integer is, het goed bedoelt en een competent bestuurder is.

Maar wat buitenstaanders nu vooral zien, is een partij in stilstand. Het is een raadsel dat de PvdA tegenover dit kabinet niet meer zichtbare energie ontwikkelt. De VVD is principieel tegen de sociaal-democratie, CDA-leider Maxime Verhagen voelt een persoonlijke antipathie voor PvdA’ers, en als gedoger Geert Wilders en zijn mede-PVV’ers aan de PvdA denken, wordt het hun rood voor de ogen. In het regeerakkoord zitten voor de PvdA de nodige elementen om het hartgrondig mee oneens te zijn. Maar net niet voldoende om all-out te gaan.

Het cruciale probleem voor de PvdA is dat de bestuurderspartij de oppositiepartij in de weg zit. Binnen de Nederlandse verhoudingen is de oppositieperiode voor een partij die voordien in de regering heeft gezeten hét moment om het eigen profiel op te poetsen. Verlost van de coalitiecompromissen kan volop worden gewerkt aan de eigen identiteit, met het te bestrijden kabinet als wrijfpaal.

Maar de PvdA steunt uit overtuiging op essentiële onderdelen het minderheidskabinet-Rutte. Allesbepalend is op dit moment de aanpak van de eurocrisis en de rol die hierbij is weggelegd voor de Europese Unie. Het kabinet kan alleen maar handelen dankzij de PvdA. Zonder die partij heeft de premier geen meerderheid.

Hetzelfde geldt voor één van de meest beeldbepalende hervormingen die het kabinet voorstelt: de verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar. Ook hier gaf de steun van de PvdA de doorslag.

Als een oppositiepartij zich zo loyaal opstelt, is het ingewikkeld het zo gewenste ‘eigen verhaal’ te ontwikkelen. Bovendien, hoe moet dat eigen verhaal van de PvdA dan luiden? Dat probleem achtervolgt de partij al sinds de paarse kabinetten onder leiding van Wim Kok. Die waren toen mede succesvol omdat onder Koks leiding de ideologische veren werden afgeschud. Het pragmatisme vierde hoogtij. Er kon zelfs met een tegenpool als de VVD worden samengewerkt. Het gevolg was wel dat de PvdA geen geraamte meer had en nog altijd niet heeft. Dat uit zich in een continue onderstroom van gebrekkig zelfvertrouwen.

Geen PvdA-periodiek zonder oproep om tot een herkenbaar gezicht te komen. Maar welk gezicht? Het klassiek linkse, dan wel het postmoderne sociaal-liberale? Bij het eerste model is de SP concurrent, bij het tweede zijn dat GroenLinks en D66. Ga er maar aanstaan.

Niet voor niets klinkt bij herhaling de roep om fusies met deze tegenstanders. Onlangs riep Kamerlid Frans Timmermans in deze krant nog op tot samenwerking met GroenLinks en de SP. Het is een oproep die ook Ploumen vanmorgen herhaalde.

Het heeft trekken van een wanhoopskreet, gevoed door het probleem dat de PvdA deelt met andere traditionele partijen: de sterk geslonken vaste aanhang. Het is het spiegelbeeld van de opkomst van de zwevende kiezer die impulsief zijn stem bepaalt. In 1986, toen de partij bij de Tweede Kamerverkiezingen 52 van de 150 zetels wist te behalen, mijmerden PvdA-prominenten nog over de 40-procentspartij die in het verschiet lag. Acht jaar later werd dit doel naar beneden bijgesteld tot 40-zetelpartij. De Tweede Kamerverkiezingen van vorig jaar leverden de PvdA 30 zetels op. In de peilingen is daar nu de helft van over.

Wie in deze tijd mooie verkiezingsresultaten wil behalen, heeft een charismatische leider nodig. Dat bewees Wouter Bos in 2003. De 43 zetels waren een verdubbeling ten opzichte van de peilingen een half jaar ervoor en nagenoeg een volledig herstel van het desastreuze recordverlies bij de verkiezingen van 2002, onder leiding van Ad Melkert. Dat succes was voor een groot deel op het conto van Bos te schrijven, en in veel mindere mate op het verkiezingsprogramma van de PvdA.

De huidige PvdA zit zodoende met een dubbele handicap: én geen onderscheidend programmatisch geluid én geen aansprekend leiderschap. Dat maakt niet alleen de partij zelf nerveus, maar ook VVD en CDA. Die zijn voor het voortbestaan van hun minderheidscoalitie momenteel in belangrijke mate afhankelijk van de sociaal-democraten.

Hoe moeilijker de PvdA het heeft, hoe groter de kans dat haar Kamerleden het opzeggen van steun aan bijvoorbeeld het eurocrisisbeleid als mogelijkheid zullen zien de partij meer aanzien te geven.

Niet alleen krijgt de PvdA nauwelijks iets terug voor de steun aan het kabinet. De partij trotseert ook nog eens de onvrede van de eigen kiezers. Velen van hen willen dat hun partij de gelegenheid grijpt het kabinet naar huis te sturen. De redenering: als de PvdA het eurobeleid van Rutte niet meer steunt, kan deze coalitie nooit lang stand houden. Het is, zuur voor de PvdA, hetzelfde verwijt dat juist gedoger Geert Wilders op de PvdA probeerde te plakken. Tot verdriet van Cohen, die blijft volhouden dat de PvdA die macht helemaal niet heeft, en dat het onverantwoordelijk zou zijn politieke spelletjes te spelen met het voortbestaan met de euro.

Als de PvdA, verwikkeld in zelftwijfel, naar dat kiezersgeluid gaat luisteren, dan heeft niet alleen Job Cohen een probleem, maar ook Mark Rutte.