Papa was een klier, een rotjongen

Jannetje Koelewijn schreef een indrukwekkende geschiedenis van haar ouders.

Vaardig geschreven en grappig, vindt Maarten ’t Hart.

Om maar met de deur in huis te vallen: Jannetje Koelewijn heeft een indrukwekkend boek over haar ouders geschreven. Haar vader, Wim Koelewijn, werd in 1929 in Amsterdam geboren, doch zijn gereformeerde voorouders kwamen uit Bunschoten-Spakenburg. Hij stamt uit een geslacht van boeren en vissers, maar zijn vader werd politieman en kwam uiteindelijk terecht bij het Amsterdamse korps. Haar moeder, Rinskje Brak, werd ook in 1929 geboren en is van Friese komaf. Haar voorouders gingen nog met garen en band langs de deuren, maar haar moeder werd verpleegster en haar vader ging in de leer bij een smid, werd uiteindelijk monteur en kwam tenslotte ook in Amsterdam terecht. Elf jaar oud leerden Wim en Rinskje elkaar op de lagere school kennen. Op de vraag van dochter Jannetje wat moeder Rinskje zich van haar elfjarige vader herinnert antwoordt ze: ‘Het was een klier, een rotjongen’.

Het boek van Jannetje Koelewijn, redacteur van NRC Handelsblad, is een mooi voorbeeld van het verschijnsel sociale en geografische mobiliteit. Beide ouders zijn van zeer eenvoudige komaf, maar zowel haar vader alsook haar moeder (op latere leeftijd) volgde allerlei opleidingen en werkte zichzelf omhoog. En de kinderen uit het huwelijk hebben alle zes gestudeerd. Zelfs vader Wim wordt uiteindelijk nog meester in de rechten en bijna burgemeester. Welhaast als vrijwel onvermijdelijk bijproduct van die sociale en geografische mobiliteit zou je de ook in het boek beschreven geloofsafval kunnen beschouwen. Na verhuizing naar Amsterdam van de respectievelijke grootouders wordt de band met de Gereformeerde kerk losser. In de jaren zestig gaat het snel. Vader koopt een auto en op zondag gaan ze ermee op stap. Ook fietsen op zondag blijkt geen probleem meer, en de vader en moeder van Jannetje gaan zelfs op dansles.

Toch blijft vader Wim zijn leven lang een twijfelaar die graag wil geloven, moeder Rinskje gaat echter van de ene op de andere zondag niet meer ter kerke. Bij haar lijkt het geloof geruisloos verdwenen en de zes kinderen (drie zoons, drie dochters) hebben het kennelijk ook van zich afgeschud zoals een hond dat met regenwater doet. Dat zou niet gekund hebben als de ouders van vader Wim in Spakenburg waren blijven wonen.

Ook in een ander opzicht geeft dit boek een mooi, typisch tijdsbeeld. Moeder Rinskje emancipeert, mede dankzij het feit dat zij een rijbewijs haalt en buitenshuis gaat werken. Via vriendinnen wordt ze besmet met het feministische virus en op een dag gaat zij er in haar auto vandoor. Vader Wim kan dat slecht verkroppen, maar moet zich erbij neerleggen dat hij door zijn vrouw is verlaten.

Wat dit boek, dat zo’n typisch tijdsbeeld geeft, bijzonder maakt is de even laconieke als liefdevolle wijze waarop het uit elkaar groeien van Wim en Rinskje wordt beschreven. Echt uit elkaar raken zij overigens niet. Moeder Rinskje zegt van zichzelf dat zij alles is vergeten, en het lijkt er op dat zij ook is vergeten dat zij van haar man gescheiden leeft. Dat zorgt menigmaal voor even ontroerende als komische passages.

Vooral het verhaal aan het slot over een tocht van vader en moeder Koelewijn, met dochter Jannetje, naar Parijs om daar een winterjas voor Rinskje te kopen is buitengewoon vermakelijk. Vader Wim is van plan in het hotel ‘un grand lit’ te vragen zodat hij de kouwelijke moeder van Jannetje een paar nachten lekker tegen zich aan kan trekken. (Let wel, vader en moeder zijn dan reeds jaren gescheiden!) Van dat plan komt weliswaar niet veel terecht, maar de winterjas wordt gekocht, en in de Rue des Écoles wordt feestelijk gegeten.

Wim zie je na lezing van het boek duidelijker voor je dan Rinskje. Hoe eigenwijs en eigengereid vader Wim ook is, toch heeft dochter Jannetje meer op met haar tamelijk hulpeloze vader dan met haar vergeetachtige moeder. Haar moeder is ook ongrijpbaarder. Ze lijkt vrij sterk op haar eigen moeder die steeds verbitterder werd en eveneens in opstand kwam tegen haar man. Ik veronderstel dat Jannetje Koelewijn haar moeder enigszins uit de wind heeft gehouden; ik vermoed dat ze in de nadagen van haar huwelijk tamelijk onhanteerbaar is geweest.

Maar ja, dat is het probleem als je zo autobiografisch schrijft. Je kunt, zeker als je ouders, broers en zussen nog leven, niet het achterste van je tong laten zien, en dat is spijtig want enig venijn was niet misplaatst geweest. Toch vind ik dat Koelewijn er uitmuntend in geslaagd is de geschiedenis van haar ouders te boekstaven. Het boek is licht van toon, nooit sentimenteel, vaak grappig, menigmaal aangrijpend, en bovenal uiterst vaardig geschreven. Jammer dat er, in een boek waar zo vaak over foto’s wordt gerept, slechts één foto van de ouders werd opgenomen.

Jannetje Koelewijn: De hemel bestaat niet. Over het leven van mijn ouders. Atlas, 272 blz. € 19,95

    • Maarten 't Hart