Oog voor het mysterie van relaties

Hella Haasse was de grootste Nederlandse schrijfster van de 20ste eeuw.

Tot het laatst werkte ze door aan haar indrukwekkende oeuvre.

Frankrijk, 29-7-1988 Schrijfster Hella Haasse in haar werkkamer in het huis bij Parijs. Op het bureau een manuscript. Foto: Flip Franssen

„Als ik nog een roman schrijf”, zei Hella Haasse jaren geleden tegen me, „dan noem ik hem De ontbladering.” Het is er niet meer van gekomen. Vrijdagochtend werd bekend dat de schrijfster donderdag was overleden, op 93-jarige leeftijd.

Het is een typerende opmerking voor de grootste Nederlandse schrijfster van de 20ste eeuw. Ook haar toenemende lichamelijke onttakeling trad ze zoveel mogelijk met humor en relativeringsvermogen tegemoet. Altijd was ze bezig met een verhaal, ook al nam ze de hele dag geen pen ter hand. Schrijven was haar praktisch onmogelijk geworden door de zorg en toewijding die de gezondheidstoestand van haar man, Jan van Lelyveld, van haar vergde. Toch verkeerde ze zo vaak mogelijk in gedachten bij personages uit haar romans, goede bekenden die ze moeiteloos uit haar geheugen kon opdiepen en in wier gezelschap het goed toeven was. Of ze schiep in gedachten nieuwe hoofdpersonen die haar boeiden en die ze in haar actieve verbeeldingswereld in benarde situaties en voor nieuwe raadsels stelde.

Imaginaire draden trekken, puzzels leggen, zoeken naar een verklaring voor raadselachtig gedrag, de onzichtbare verbindingen tussen mensen in kaart brengen – het was haar lust en haar leven.

„Het is nu eenmaal het enige dat ik kan”, zei ze vaak met de haar kenmerkende bescheidenheid. Ze vond het geen verdienste dat ze een uitzonderlijk oeuvre bij elkaar had geschreven in meer dan 60 jaar schrijverschap, al was ze vereerd met de prijzen die ze kreeg, van de Constantijn Huygensprijs tot de Prijs der Nederlandse Letteren, van de P.C. Hooftprijs tot de NS Publieksprijs.

Haasse was van jongs af aan al een waarnemer. Haar geheugen was ijzersterk en visueel ingesteld: landschappen uit haar jeugd in Indië, situaties waar ze als kind in terecht kwam, huizen en hun inrichting, vrienden van vroeger, ze kon ze zich probleemloos en en détail voor de geest halen. Gedichten die ze op school had geleerd kon ze feilloos voordragen, haar toon werd dan die van de actrice die ze ook ooit was, haar ogen glinsterend als was ze weer het meisje dat ze uit het hoofd had geleerd. Eigenlijk, zei ze, sta ik nog steeds heel dicht bij het meisje dat ik was toen ik 12 was. Natuurlijk, ze had in al die jaren geleefd en geleerd, maar hoe ze keek en hoe ze dacht – de kern van haar bestaan – was niet veranderd.

Die tienerjaren bracht Haasse door in voormalig Nederlands-Indië, evenals haar vroege kinderjaren. Haar vader was ambtenaar in overheidsdienst, belastinginspecteur belast met het toezicht houden op Indiës financiën en zijn gezin woonde in de loop der jaren in verschillende steden op Java. Van haar zevende tot haar tiende, toen haar moeder om gezondheidsredenen naar Davos moest, woonde Hella in Nederland – een moeilijke, liefdeloze en eenzame periode, waarin ze verscheurd werd tussen ‘de neiging één apart en het verlangen allen te zijn’, schrijft ze in Zelfportret als legkaart.

Haar vroegste herinneringen zijn ‘groene tintelende bewegende vlekken hoog boven mijn hoofd, de kronen van de reuzen-waaierpalmen in de Plantentuin van Buitenzorg’. Het groen van planten, geuren, kleuren, licht en smaak – het zijn die indrukken die Haasse op zeer jonge leeftijd hebben gevormd en beïnvloed voor de rest van haar leven. Ze zal er naar terug verlangen en wil zich op gezette tijden in die wereld terugtrekken; soms geeft ze personages vergelijkbare observaties mee.

Dat begon in 1948 met Oeroeg, het boek dat ze in één ruk schreef in het kader van een anonieme schrijfwedstrijd van de CPNB, dat ze instuurde onder het pseudoniem Soeka Toulis, Maleis voor ‘Ik houd van schrijven’. Later volgden Heren van de thee en Sleuteloog – de zogenaamde ‘Indische’ romans van Haasse – waarin zij steeds haar veranderende verhouding tot haar geboorteland Indonesië onderzocht en, inherent daaraan, haar eigen identiteit.

De jeugdvrienden uit Oeroeg, de pioniers uit Heren van de thee en de bejaarde vrouw uit Sleuteloog worstelen allemaal met de ervaring van ballingschap, met een gevoel van thuisloosheid; allen kennen de verleidingen van het sensuele en het exotische, opgeroepen door de overweldigende natuur van Indonesië. Allen worden op onverwachte wijze geconfronteerd met de ander en met het andere.

Zoals patronen in de natuur een eenheid vormen, vormen bij Haasse de literaire elementen een beeld van onderlinge verbondenheid en betekenis. De geometrische figuren en gestileerde plant- en bloemmotieven uit een batikpatroon, ‘Parang Sawat’ geheten, noemde Haasse haar Indisch erfdeel. Haar leven lang leed Haasse aan ‘een soort van innerlijke honger in omgevingen die wat warmte en weelderigheid van vegetatie betreft achterbleven bij de natuur van Java’. Dat geldt dus in wezen voor alle plaatsen waar zij in Nederland heeft gewoond. Wellicht neemt de periode waarin zij in Frankrijk woonde, van 1981 tot 1990, in de heuvelachtige en beboste streken rond Senlis, mede om die reden zo’n belangrijke plek in haar leven in.

Wat had Haasse een hekel aan de zo lovend bedoelde titel ‘grande dame de la littérature néerlandaise’. Veel te overdreven naar haar smaak.

En hoezo ‘Nederlands’, voeg ik er op eigen titel aan toe. Haasses oeuvre valt niet te vangen onder dat etiket, nog afgezien van het feit dat de schrijfster haar leven lang een dubbelzinnige verhouding met ‘Holland’ heeft gehad. „Wie in Indië geboren is, wordt nooit meer een Hollander”, zei ze vaak tegen mij, en regelmatig heeft ze zich dan ook, in haar essays bijvoorbeeld, kritisch uitgelaten over het schrale culturele en intellectuele klimaat in Nederland.

Haasse had van jongs af aan een passie voor lezen en schrijven. Toen haar verteld werd dat Harry Mulisch nooit werk van een ander las, reageerde ze met een oprecht: „Wat zielig!” Haar eruditie en onstilbare nieuwsgierigheid en leergierigheid uitte zich bijvoorbeeld ook in de doorwrochte essays en beschouwingen. Die beschouwingen zijn zoektochten naar verwante geesten binnen én buiten onze grenzen. Ze hebben schrijvers van wereldklasse tot onderwerp of historische figuren die een bepaald tijdperk mede hebben bepaald.

Dat geldt ook voor Haasses historische romans en voor de romans waarin een deel gebaseerd is op authentiek historisch materiaal. Bij Haasse is er altijd sprake van een ingewikkeld netwerk van relaties, waarvan een deel zichtbaar is en een ander deel niet. Juist in dat laatste schuilt een mysterie, iets ongrijpbaars dat in de loop van het verhaal in meer of mindere mate ontrafeld wordt. Haasses werkelijkheid is onkenbaar: zij interpreteert om er een lijn, een logica in te ontdekken. Vandaar ook het labyrintmotief, dat in veel van Haasses werk voorkomt: de werkelijkheid is een doolhof waarin je je weg moet zoeken. Niets is toevallig, alles hangt met alles samen – de kunst is alleen om te ontdekken op welke manier. Daarbij doet ze een beroep op de onuitputtelijke ‘wegen der verbeelding’.

Met die labyrintische vorm benadert Haasse ook de geschiedenis. De duistere kanten van de mens heeft Haasse daarbij nooit links laten liggen. Zo peilt ze in De meester van de neerdaling de diepten van eenzaamheid en waanzin, toont ze een menselijke geest die ronddoolt in het gebied van goed en kwaad. In Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven verkent ze een ander uiterste van de menselijke geest – het perverse en het volstrekt egoïstische – en polemiseert tegelijkertijd over de plaats van de vrouw in de literatuur en de liefde, een onderwerp waarover Haasse veel schreef, zonder een boegbeeld van het feminisme te willen zijn.

Als beschouwend, reflecterend schrijfster heeft Haasse ook altijd de behoefte gehad om verantwoording af te leggen, zichtbaar te maken wat haar dreef. Zoals haar personages op zoek gaan naar de achtergrond van hun handelen, zo schroomt zij niet ook zelf in autobiografische essays – Persoonsbewijs, Zelfportret als legkaart en recenter in Zwanen schieten – op zoek te gaan naar haar eigen beweegredenen, naar haar eigen achtergrond. Dat zij haar lezers die blik gunde in haar lezen, in haar leven en in haar denken, is uitzonderlijk. Steeds verdiepte Haasse zich in andere tijden en andere culturen om afstanden te overbruggen en verbanden te leggen. Al zoekend en schrijvend streefde ze ernaar ‘datgene uit te drukken waarvoor geen woorden zijn’.