Minister heeft geen grip op ProRail

ProRail heeft bijna 10 procent van zijn overheidsbudget voor de jaren 2005-2010 nog niet uitgegeven, concludeert de Rekenkamer. De minister kan de spoorbeheerder niet goed controleren.

Het huisboekje van ProRail is voor niemand te begrijpen. Financieel deskundigen van de spoorbeheerder hadden afgelopen zomer intensief contact met het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Cijfers veranderden keer op keer. Gegevens werden aangepast. Nadat de onderzoekers van de Algemene Rekenkamer dachten dat ze eindelijk snapten hoe het zat, stuurden ze eind augustus hun definitieve bevindingen naar beide partijen.

Onderzoek afgerond, zou je denken. Maar zo werkt het niet als het gaat om de besteding van het onderhoudsbudget van ProRail. Zowel het spoorbedrijf als het ministerie kwamen met aanvullende cijfers. Het leidde tot aanpassingen. Uiteindelijk trok de Rekenkamer de conclusie dat 9 procent van het door het ministerie verstrekte onderhoudsbudget tussen 2005 en 2010, zo’n 1,1 miljard euro, nog op de plank ligt.

Einde discussie?

Toch niet. Nadat het definitieve rapport naar ProRail en minister Melanie Schultz van Haegen ( (Infrastructuur, VVD) werd gestuurd voor reacties, die aan het onderzoek zouden worden toegevoegd, kwam de minister met geheel nieuwe cijfers en een geheel nieuwe redenering „die vragen oproept”, aldus de Rekenkamer. De onderzoekers: „De minister voegt een nieuwe variant toe aan de steeds veranderende cijfers. Met grote zorg constateren wij dat de minister niet in staat is kennelijk een ordelijk controleerbaar, en daarmee overtuigend financieel overzicht te bieden van de relatie met ProRail.”

En daarmee zijn we weer terug bij af. De Rekenkamer moest, op verzoek van de Tweede Kamer, juist duidelijkheid geven over het onderhoudsbudget. De kamer ergert zich al jaren aan vastvriezende wissels en verstoorde dienstregelingen, en achterstallig onderhoud. Dit voorjaar werd daarom een tijdelijke onderzoekscommissie van Kamerleden ingesteld om het functioneren van het spoor te onderzoeken, uitmondend in een rapport begin volgend jaar. Belangrijk onderdeel daarvan: het onderzoek van de Rekenkamer.

Maar na maanden onderzoek moet de Rekenkamer concluderen dat het antwoord op die vraag te lastig is. Minister Schultz heeft geen grip op ProRail. Ze laat strategische beslissingen over aan het bedrijf zelf, weet niet hoeveel geld op de plank blijft liggen, en heeft nauwelijks ambtenaren in dienst om het bedrijf aan te sturen en te controleren. Zoals de Rekenkamer het formuleert: „De minister heeft haar eigen verantwoordelijkheden te zeer bij ProRail neergelegd.” En: „De minister maakt zich afhankelijk van de spoorbeheerder.”

Het ministerie heeft voor ProRail, dat honderden projecten uitvoert, ruim vierduizend medewerkers heeft, en jaarlijks twee miljard euro subsidie krijgt, slechts 2,5 fte beschikbaar. De Rekenkamer: „Wij vinden dat weinig”.

De Tweede Kamer is daar de dupe van. Ze kan haar controlerende taak niet goed uitoefenen. Kamerleden weten niet wat er met het onderhoudsbudget gebeurt, wanneer doelen worden bijgesteld, en hoe de planning van projecten verloopt. De gegevens die de Kamer wel krijgt, zijn onduidelijk en onvolledig.

Sterker nog, de Kamer wordt soms onwetend gehouden van belangrijke beslissingen. Al in 2002 werd besloten om het plan treinen dichter achter elkaar te laten rijden grotendeels niet uit te voeren. De Kamer werd daarover pas in 2008 geïnformeerd. Maar dat zat verstopt in lastig te lezen rapporten van ProRail, vol met technische details. En neem de periodieke voortgangsrapportages die ProRail naar het ministerie stuurt. Die rapporten blijven worden niet doorgestuurd naar de Kamer.

Ook ProRail krijgt forse kritiek. De bedrijfsvoering is niet op orde, er zijn structurele personeelstekorten, het gebrek aan kennis in het bedrijf is „chronisch”. Ook heeft het bedrijf moeite met het afwijzen van projecten. Voortdurend verzint het ministerie nieuwe projecten waar de capaciteit bij ProRail voor ontbreekt.

Schultz uitte tijdens Kamerdebatten vaak kritiek op ProRail, die zich te veel op de techniek en te weinig op de reizigers zou richten. Haar mantra: de reiziger moet weer centraal komen te staan. Daarom eist Schultz, samen met de Kamer, een „cultuuromslag” bij het bedrijf. Na het rapport van de Rekenkamer lijkt het eerder de vraag of die cultuuromslag bij het ministerie niet ook nodig is.