Mandaat voor Kunduz knelt

Er zijn nauwelijks agenten in Kunduz om te worden getraind door Nederlanders. De eisen van Den Haag leggen veel beperkingen op.

Het goede nieuws is dat de eerste Nederlandse basiscursus zaterdag van start ging. Dertig Afghaanse politiemannen begonnen onder leiding van marechaussee Ron Stobbelaar aan de achtweekse opleiding waarin ze onder meer leren fouilleren, schieten en lezen. De cursus moet de agenten opleiden tot politiemannen die hun land een betere dienst bewijzen dan hun corrupte en gewelddadige collega’s. Omdat maar vijf van de cursisten kunnen lezen, geeft Stobbelaar les met behulp van tekeningen op het bord en speelt hij situaties na met Playmobil-poppetjes.

Maar het mandaat waarmee de Nederlandse regering militairen naar Kunduz heeft gestuurd, botst met de realiteit in de Noord-Afghaanse provincie. De opdracht om uitsluitend politieagenten op te leiden, is lastig voor de internationale partners ter plekke. Diezelfde politieke restrictie maakt dat sommige docenten van de marechaussee nu werkeloos het einde van hun termijn in Kunduz afwachten. Er waren niet genoeg agenten om meer dan één klas voor de basisopleiding te vullen, voordat de eerste lichting militairen volgende maand weer vertrekt.

Het ligt volgens marechaussee Stobbelaar aan de knellende beperkingen dat zijn collega’s nu niets om handen hebben. „Ik hoop dat ze er in Den Haag over nadenken hoeveel mensen ze hiernaartoe sturen. Het zou veel slimmer zijn om naar behoefte trainers te sturen, want nu zitten hier mensen voor niks”, zegt hij. „Alles moet conform het mandaat en daar hebben wij last van.”

Het minderheidskabinet deed in januari verregaande beloften aan GroenLinks, D66 en ChristenUnie om te garanderen dat door Nederland geschoolde agenten niet zullen worden ingezet voor militaire taken. Na de val van de vorige regering over het verlengen van de vechtmissie in Uruzgan, mocht een nieuw Afghaans avontuur niets anders zijn dan een civiele politietrainingsmissie. Zeker omdat gedoogpartner PVV geen enkele operatie in Afghanistan steunt.

Nederland doet in Kunduz zaken met drie partners: de NAVO, het Afghaanse ministerie van Binnenlandse Zaken, en de Duitsers, die het trainingscentrum bouwen en die het merendeel van de trainingen voor hun rekening nemen.

Tot nu bestonden de klassen uit grenspolitie en lokale politie – het lesprogramma is hetzelfde – en werd pas achteraf besloten waar de agenten gingen werken. Nu moet rekening worden gehouden met de door Den Haag opgelegde beperkingen: de grenspolitie mag niet meer worden opgeleid. „Nederland maakt het ons wel lastig”, zegt het plaatsvervangend hoofd van het opleidingscentrum. Zo kon met moeite een klas worden samengesteld met agenten die aan het Hollandse profiel voldeden. Resultaat: maar twee van de twintig marechaussees komen toe aan het daadwerkelijk opleiden van de agenten.

Eerste schooldag in Kunduz zit erop: pagina 4-5