Isabel Allende

De aantrekkingskracht van het werk van de Chileense schrijfster Isabel Allende zit hem voor veel lezers in de onwaarschijnlijkheid. Geesten en doden praten er op los, mensen zwijgen jaren om opeens een toekomstvisioen te krijgen en visioenen zijn er sowieso bij de vleet. Sommigen noemen die onwaarschijnlijkheden in een roman magisch realisme, maar bij Allende krijg je soms de indruk dat ze de makkelijkste weg kiest: een geloofwaardig verhaal neerzetten is een stuk ingewikkelder dan de zoveelste deus ex machina.

Van die betoverende ongeloofwaardigheid heeft ze haar handelsmerk gemaakt, en met succes. Maar haar nieuwe roman Het negende schrift van Maya (Wereldbibliotheek, € 19,90, op de derde plek van de CPNB bestsellerslijst) lijkt zowaar een uitstapje richting de werkelijkheid, en dan bedoel ik de zichtbare werkelijkheid. Natuurlijk zitten de vertrouwde recepten er nog in: een wandelende dode opa die zijn kleindochter af en toe redt of in de steek laat, een heel kleurenscala aan aura’s (heb je een groene dan is het goed) en wat geschiedenislessen Chileense dictatuur.

Wat dit boek anders maakt, zijn de detective-elementen. Maya, het hoofdpersonage uit de titel, zit vast op een eiland bij Chili omdat ze door criminelen en politie wordt gezocht nadat ze betrokken was geraakt bij een bende drugskoeriers en valsmunters. Verslaafd aan alles wat God verboden heeft, leeft ze lange tijd aan lager wal in Las Vegas. Ze wordt verkracht en ook weer gered, door leden van een stichting met Jezus in de naam. De oude man bij wie ze op het eiland terechtkomt, blijkt haar opa te zijn; een aardige politieman is corrupt en eindigt als vissenvoer (in een gebied vol viskwekerijen). Kortom, de roman laveert tussen hogere sferen en een verrassend staaltje tieten, schieten en bandieten.

‘Maya heeft me meer doen lijden dan enig ander van mijn personages. In sommige scènes had ik haar het liefst een draai om de oren willen geven, in andere had ik haar wel in mijn armen willen nemen om haar te beschermen tegen de wereld en haar eigen verwarde hart’, schrijft Allende over Maya.

Dat is wel zo eerlijk van Allende, want dat ze geleden heeft onder deze Maya is begrijpelijk. Wat een zeurderig, clichépersonage is dat. Dan kan haar omgeving nog zo hard en spannend zijn, interessant wordt ze niet. Als Maya ergens zegt: ‘Laat me maar doodgaan’, denk je vooral: ‘Voortreffelijk idee’.

Daar komt bij dat de criminele- en politiewereld die Allende schetst, clichématig is. Geen hogere krachten hier, maar hersens die uiteen spatten, afrekeningen, sauna’s, vieze appartementen en dialogen die vooral bestaan uit de mededeling: hou je mond. Een ongeloofwaardige wereld vermengd met een clichématige: dat geeft het boek een slecht aura.

Toef Jaeger