Hoe dan ook: Amerika boven alles

In de wereld van Dick Cheney is plaats voor maar één mening, één land en één onwrikbaar gelijk.

God ontbreekt in zijn memoires.

Dick Cheney’s ‘personal and political memoir’ zou, zoals hij zelf aankondigde, ‘koppen doen exploderen’ in Washington. Misschien een onkiese manier van een hooggeplaatst politicus om publiciteit te genereren, maar echt sneu wordt het wanneer blijkt dat dit boek, na zo’n testosteron-geladen aankondiging, hoofdzakelijk teleurstelt. Echte onthullingen zijn er amper. Dat is merkwaardig van een man die acht jaar vice-president was en decennialang in het centrum van de macht opereerde – in de George W. Bush-jaren was hij volgens velen de man die aan de touwtjes trok.

Er is enig gekibbel over wat zich precies in het Witte Huis afspeelde, met name rondom de inval in Irak, maar dat zijn kanttekeningen binnen het kader van het echte, dramatische verhaal. Een verhaal dat, zoals maar al te vaak wordt ondergeschoffeld, een dodental van naar schatting een miljoen Irakezen inhoudt, 330 maal zoveel als de slachtoffers van 9/11, en ook grotendeels onschuldige burgers. Aan deze statistiek maakt Cheney geen woord vuil.

Het is de laatste decennia een geaccepteerd gebruik dat stafmedewerkers, na ontslag of aftreden, hun steentje aan de vaak weinig rooskleurige geschiedschrijving bijdragen door vuile was buiten te hangen. De werkelijke gezagsdragers proberen dan op min of meer eloquente wijze hun straatje schoon te vegen.

Er zijn ook hoge politici geweest bij wie in hun latere jaren, in memoires of biografieën, een toon van spijt of teleurstelling te bespeuren viel, maar bij Cheney niets van dit alles. Hij zou het allemaal precies zo opnieuw doen, de geschiedenis heeft hem gelijk gegeven, fouten werden alleen maar gemaakt door anderen.

Van twijfel in retrospectief is bij hem geen sprake. Eén voor één rekent Cheney in bondige bewoordingen en hoofdstukjes af met iedereen die in die jaren met hem van mening verschilde. Condi Rice? Was naïef en ‘volstrekt misleidend’ toen ze ervoor pleitte met Noord Korea te onderhandelen over een kernwapenverdrag en ook toen ze poogde de toon van de Irak-speeches van Bush te matigen. Colin Powell? Uitte zijn twijfels over de rechtvaardiging van de inval in Irak buiten de Bush- kliek om, een hoogst ongebruikelijke misstap. Toen hij na de eerste ambtsperiode zijn ontslag indiende, was dat ‘maar goed ook’. George Tenet, de directeur van de CIA? Stapte ook op in 2004, ‘when the going got tough’ – en dat doen echte mannen niet, zelfs niet als ze, ten onrechte, de schuld toegeschoven krijgen van de desinformatie die tot de inval in Irak leidde.

Dat laatste is misschien wel de ergste aantasting van de geschiedschrijving. Nog geen dozijn memoires kan de werkelijkheid verdoezelen dat de Bush-regering vanaf de dag van de aanslagen had besloten Saddam Hussein uit de weg te ruimen. Keer op keer echoot Cheney de woorden van zijn chef dat ‘Saddam voor oorlog koos’ door de (nooit aangetroffen) massavernietingswapens niet te verwijderen, een groteske leugen die door de getuigenissen van wapeninspecteurs Scott Ritter en Hans Blix afdoende is ontkracht. Abu Ghraib? Niet te verdedigen, maar de misdaden werden uitgevoerd door een ‘relatief kleine groep’, terwijl de walgelijke, gefotografeerde methoden toch rechtstreeks voortvloeiden uit de praktijken van vernederen en doodsangst aanjagen waartoe de rekruten waren opgeleid. Guantánamo Bay droeg er in belangrijke mate toe bij dat Dick en George Amerika voor verdere terroristische aanvallen behoedden. Cheney verdedigt daarom tevens het waterboarding (door hem eufemistisch ‘enhanced interrogation technique’ genoemd), dus ook bij de meer dan 500 van de 770 gevangenen die al zijn of worden vrijgelaten zonder enige vorm van beschuldiging (cijfers van Amnesty International).

Of Cheney schaamteloze oorlogswinst boekte door Iraakse contracten aan zijn vroegere bedrijf Halliburton toe te spelen, en zich ervoor te laten betalen in de verhulde vorm van een ‘deferred retirement benefit’ zal wel in het midden blijven. Zelf schrijft hij de miljoenen die hij ervoor verdiende aan liefdadigheid te hebben geschonken, maar de geur van nepotisme blijft onaangenaam hangen.

Het is opvallend dat het woord ‘God’ in het boek niet voorkomt, zelfs niet in de ronkende passages waarin hij het Amerikaanse exceptionalisme roemt. In de Cheney-wereld is er maar plaats voor één land, en voortbestaan, welvaart en veiligheid ervan mogen ten koste gaan van alles. Het land heeft die uitzonderlijkheid volgens Cheney niet aan een opperwezen te danken. Aan wat dan wel? Dat is een vraag die in dit onwrikbaar rechtlijnige boek niet gesteld wordt.

Dick Cheney: In My Time. Simon & Schuster, 527 blz. € 40,-